Menubalk

 

 

 

 

 

 

 

Laatst bijgewerkt op: 26-05-2011

Terug naar muziek

 

 

Speeltafel Badkapel Scheveningen

De speeltafel van het orgel van de
Nieuwe Badkapel Scheveningen
foto © Gérard van Betlehem

orgel Van Dam 1926

Manuaal I:
Holquintadeen 8' - Prestant 4' - Woudfluit 2' - Quint 1 1/3' - Sifflet 1' - Sesquialter II - Dulciaan 8' - Tremulant
Manuaal II
Prestant 8' - Roerfluit 8' - Octaaf 4' - Fluit 4' - Octaaf 2' - Cornet V - Mixtuur IV-VI - Trompet 8' - Tremulant
Manuaal III
Vioolprestant 8' - Holpijp 8' - Viola 8' - Octaaf 4' - Roerfluit 4' - Nasard 2 2/3' - Octaaf 2' - Scherp III-IV - Hobo 8' - Tremulant
Pedaal
Prestant 16' - Subbas 16' - Octaafbas 8' - Gedekt 8' - Octaaf 4' - Ruispijp III - Bazuin 16'
Koppelingen
Manuaal II - Manuaal I
Manuaal II - Manuaal III
Manuaal I - Manuaal III
Pedaal - Manuaal I
Pedaal - Manuaal II
Pedaal - Manuaal III
Manuaal II 4'
Speelhulpen
Automatische pedaalomschakeling
Één vrije combinatie
Tutti-piston

gegevens geleend uit de database
van Piet Bron jr.
www.orgbase.nl

Alexandre harmonium
(foto & gegevens volgen nog)

 

Bert Mooiman

Bert Mooiman

 

 

Jaap Hillen

Jaap Hillen * 1923 - † 2008

 

Pedaal piano

De pedaalpiano of pédalier is een instrument, dat evenals het orgel, door middel van een pedaal, dat wil zeggen een voetklavier, wordt bespeeld (afb.). Dit kan een aangehangen pedaal zijn, waarbij de pedaaltoetsen via houten abstracten of koordjes met de toetsen in de bas zijn verbonden. Ook kan het om een zelfstandig instrument gaan; in dat geval is het óf een liggende pedaalvleugel, waarop een gewone vleugel gezet wordt, of een rechtopstaand model, dat als een rugwerk achter de speler geplaatst wordt.
Bekende bouwers van pedaalpiano’s waren Johan Schmid (ca.1785) uit Salzburg, Joseph Brodman uit Wenen en de firma’s Pleyel en Érard uit Parijs. Hoewel de pedaalpiano voornamelijk was bedoeld voor organisten om thuis pedaal op te studeren, inspireerde dit type piano componisten als Robert Schumann (1) en Charles-Valentin Alkan tot schrijven van speciale composities.

Bron: Christo Lelie “Van Piano Tot Forte: Geschiedenis En Ontwikkeling Van De Vroege Piano Ca.1450-1867

1 "Skizzen für den Pedalflügel"

 

Erard pedaalvleugel

Pedaalvleugel Érard 1853

 

 

 

Een Pedalion pedaalharmonium

Pedalion 14 spel

 

 

 

Een Organor (made by Rippen)
pedaalharmonium
zoals gebruikt door Jaap Zwart

Organor Pedaalharmonium

Het hier afgebeelde instrument staat op de orgelgalerij in de kapel van Begraafplaats Oud Eyk en Duinen in Den Haag.

Grote kerk Breda

foto ontleend aan website
Stichting Grote Kerk Breda

 

Orgel Breda

Mooiman volgt Jaap Hillen op

Hillen werd in 1949 benoemd tot organist van de Grote Kerk te Breda en hij is dat gebleven tot aan zijn overlijden in juni 2008. Hij heeft zo deze post 59 jaar ingevuld en vormgegeven. Daarmee is hij in deze kerk de langst dienende organist geweest.

In de Nieuwe Badkapel te Scheveningen fungeerde Hillen ruim 20 jaar als cantor. Dat deed hij als collega van Bert Mooiman die in deze kerk organist is.

In maart 2009 heeft Bert Mooiman met succes gedongen naar de vacante functie van organist in de Bredase kathedraal waarin de oorspronkelijke grafkelders van het geslacht Van Oranje.

Overigens blijft Mooiman verbonden aan de Nieuwe Badkapel te Scheveningen als vast organist.

 

Orgel Grote Kerk Breda

Orgel Breda IVP-53

Hoofdwerk:
Prestant 16', Prestant 8', Roerfluit 8', Octaaf 4', Quintadeen 4', Quint 3', Octaaf 2', Cornet V sterk (discant), Mixtuur IV-V sterk, Scherp III-IV sterk, Trompet 16', Trompet 8'.

Rugwerk:
Prestant 8', Holpijp 8', Octaaf 4', Fluit 4', Octaaf 2', Quint 1 1/2', Sexquialter II sterk, Mixtuur IV sterk, Dulciaan 8', Tremulant.

Bovenwerk:
Gedekt 16', Prestant 8', Holpijp 8', Viola 8', Octaaf 4', Open Fluit 4', Nasard 3', Fluit 2', Terts 1 3/5', Flageolet 1', Mixtuur III-IV sterk, Schalmei 8', Hobo 8'

Borstwerk:
Gedekt 8', Quintadeen 8', Prestant 4', Roerfluit 4', Gemshoorn 2', Quint 1 1/2', Cornet V sterk (discant), Vox Humana 8', Tremulant.

Pedaal:
Prestant 16', Subbas 16', Octaaf 8', Gedekt 8', Roerquint 6', Octaaf 4', Nachthoorn 2', Mixtuur V sterk, Bazuin 16', Trompet 8', Klaroen 4'.

Koppelingen:
Ped - Rw, Ped - Hw, Ped - Bovenw, Hw - Rw, Hw - Bovenw, Hw - Borstw.

Speelhulpen: Buisklokkenspel bespeelbaar vanaf het 4e klavier, met electronische volumeregelaar d.m.v. draaien van registertrekker.
(Tubular bells, playable on Man IV. The head of the drawknob can be turned around to change the volume of the bells)

Mijn geheugen zegt me dat er ook nog twee Cymbelsterren zijn, maar dat moet ik nog controleren.

bron: www.orgbase.nl

 

24-05-2011

Organist Grote Kerk Bert Mooiman dient ontslag in

24/05/2011 Tijd: 14:07
Auteur: Erik Eggens
CENTRUM – Organist Bert Mooiman van de Grote Kerk heeft maandag zijn ontslag ingediend. Mooiman werd in 2009 gekozen tot organist van de Grote Kerk en volgde Jaap Hillen op, die in 2008 overleed.

Bert Mooiman was in dienst van de protestantse gemeente, de eigenaar van de Grote kerk, maar afhankelijk van de Stichting Grote Kerk, die het gebouw beheert.

Directeur van die stichting Willem van der Vis heeft Mooiman ontslag ingediend door een verschil van inzicht in de rol van Mooiman. “We waren bezig met gesprekken hoe hier invulling aan te geven”, legt Van der Vis uit. “Maar blijkbaar heeft hij toch zijn vertrouwen er in verloren”, aldus de directeur.
De stichting beraadt zich momenteel op de ontstane situatie. “We zijn bezig een goede oplossing te zoeken”, aldus Van der Vis. Of het nog goed komt tussen Mooiman en de Stichting Grote Kerk kan de directeur niet zeggen.

 

Breda en het
Huis van Oranje

 

Praalgraf Engelbrecht I van Oranje Nassau

Praalgraf van
Engelbrecht I van Oranje-Nassau

 

Praalgraf van Engelbrecht II van Oranje-Nassau

Praalgraf van
Engelbrecht II van Oranje-Nassau

 

Dit artikel is eerder gepubliceerd in Vox Humana Jrg. 17 nr. 2, april 2006

© Frans van der Grijn & H.V.N.

In gesprek met Bert Mooiman

interview: door Jaap Hillen
tekst: Frans van der Grijn

Orgel Nieuwe Badkapel  

 

foto © Aart de Kort
Orgel fa. P. van Dam. III/vp/31 1926
   

Bert Mooiman en Jaap Hillen zijn collega’s van elkaar in de Scheveningse Nieuwe Badkapel. Samen ten huize van Hillen. Daar - omringd door een scala aan toets-, blaas-, en snaarinstrumenten - vindt dit gesprek plaats. Jaap Hillen al een twintigtal jaren cantor, terwijl Bert Mooiman al 16 jaar de organist van deze kerk is. Hij is daar de vaste bespeler van het orgel gebouwd door de fa. P. van Dam in het jaar 1926. In 1967 werd het orgel voorzien van een derde manuaal, waardoor het instrument nu beschikt over drie manualen en vrij pedaal met totaal 31 registers.

Een aangenaam gesprek tussen twee musici die naast hun samenwerking in de Nieuwe Badkapel nóg iets met elkaar gemeen hebben: De passie voor het drukwind-harmonium.

Wie is Bert Mooiman? En hoe heb je kennis gemaakt met het Franse drukwind harmonium?
Ik ben eigenlijk pianist en organist, dat heb ik allebei gestudeerd als hoofdvak op het conservatorium in Den Haag. En later ben ik ook nog muziektheorie gaan studeren. Ook heb ik nog kerkmuziek gedaan, als hoofdvak, dat bij orgel hoort. Dat ligt zo’n beetje in de lijn van de verwachtingen, als je orgel studeert.

Momenteel geef ik drie dagen in de week les in Den Haag aan het conservatorium, in muziektheorie. Dat zijn allerlei verschillende vakken die bij elkaar horen: Analyse en harmonie, contrapunt, solfège, gehoortraining. Ik ben dus, zoals ik al zei, nog steeds aan de Badkapel verbonden. Verder freelance ik als pianist en organist. Dat is wat ik zo’n beetje doe op het moment.

Nu gaat dit gesprek over hoe je kennis gemaakt hebt met het harmonium, en in interviews hoor ik zo vaak: “Ja, bij grootmoeder stond zo’n trapding”
Bij de mijne ook trouwens, ik ben Scheveninger, ik kom hier echt vandaan.

Heeft dat ook te maken met de band die je hebt met de Badkapel?
Nee, het eerste contact was toevallig, ik woonde in Voorschoten - en woon daar nog - en we repeteerden met een klein ensemble regelmatig in de Badkapel. “La Capella Bauleare” noemden wij ons, een oude muziek ensemble. Ik geloof dat wij daar gratis mochten repeteren, als we van tijd tot tijd eens wat deden in een dienst of zo. Maar het ensemble bestaat niet meer, zo gaat dat met veel ensembles, het duurt altijd maar even. En Leo die was in die tijd nog niet zo heel lang verbonden aan de kerk, en ze zochten een organist.

Leo, de dominee?
Ja, Leo de Leeuw, de predikant van de Badkapel. Want de vorige organist was weg en ze werkten elke week met vervangers. Toen heeft hij mij gevraagd of ik daar eventueel zin in zou hebben om te solliciteren naar deze functie. En zo ben ik daar uiteindelijk terecht gekomen. En Leo, onze predikant, die dacht: ‘Nou, dat is goed, dat is iemand helemaal van buiten Scheveningen, een beetje frisse wind.’

Maar hij wist niet dat ik met alle wortels aan Scheveningen verbonden was.
Een van de leden van de kerkenraad zei nog: “Nou, hij heeft anders nog bij mij op schoot gezeten.”

Maar goed, ik ben dus van huis uit Scheveninger. Nu, dat kun je je misschien wel voorstellen, protestants milieu. Vroeger stonden hier bij bijna alle gezinnen harmoniums thuis. Het was, zoals op veel plekken in Nederland, het instrument dat bij de mensen thuis stond.
Ik kende ook dat traporgeltje, de psalmenpomp, alle bijnamen die daar zo aan gegeven werden. En ik heb het instrument verder nooit zo serieus genomen, moet ik eerlijk zeggen. Af en toe speelde je er dan eens op bij een oma, of bij een oudtante en dat was het dan. Ik vond altijd, het had wel iets van een accordeon, maar als je alles opentrok kon je er leuke tango’s op spelen.

Maar nu was het zo dat op een gegeven moment ik lid werd van een ander ensemble, “Het Doelen Ensemble”. Een heel ander soort musici, die in Rotterdam repeteren in de Doelen. Daar was dus de thuisbasis en we speelden allerlei concerten in de Doelen, ook wel elders in Zuid-, en Noord-Holland. Het was een ensemble dat zich richtte op de 20e eeuwse muziek, maar dan ook de klassieke 20e eeuwse muziek, mensen als Strawinsky en Ravel.

Zoiets als het Schönberg Ensemble?
Ja, vergelijkbaar. Ik speel daar nu niet meer. Destijds voornamelijk als pianist, maar af en toe voerden wij ook stukken uit de kringen rond Schönberg uit. Schönberg had een groep musici om zich heen, waarmee hij bewerkingen uitvoerde van werken van componisten uit het ‘Fin de Siècle’, zoals Debussy, Mahler. Ik weet niet meer precies hoe die vereniging heette, ik zou dat moeten opzoeken. “Verein für Musikalische Privat Aufführungen”, zoiets was het. En die mensen maakten dus zelf de bewerkingen voor die bezetting.
Dan heb je dus bijvoorbeeld een bewerking van Mahler’s orkestliederen voor een klarinet, 2 violen, en óók harmonium.

Er werden ook origineel stukken geschreven voor die ‘rare hap-snap-bezetting’ die deze groep had. Van Franz Schreker kan ik me een **tanger-symfonie** herinneren. Dus ik kreeg af en toe ook zo’n harmoniumpartij te spelen in dat ensemble. En ik herinner me, ik geloof dat het in een stuk van Schreker was, dat ik een partij zag dat ik dacht: ‘Hoe kan dat nou’ want ik was gewend aan het harmonium dat vroeger bij Tante Jo stond, maar dit was een stuk waar duidelijk een pedaalpartij bij zat. En ook dynamiek wisselingen werden er gevraagd die duidden op verschillende klavieren. Ik dacht: “Hoe kan dat nou, kennelijk heeft er dan een harmonium bestaan met pedaal.” Ik wist werkelijk van niks. En hoe zit dat dan met dat trappen.

Op een gegeven moment keek mijn vrouw op Marktplaats, dat is een internetsite waar spullen worden verhandeld van particulieren, en daar hadden wij al eens een mooie vleugel gevonden, een mooie en heel oude Bösendorfer. En ik zei: ‘Nou toch eens intoetsen ‘pedaalharmonium’ of zo, misschien heet dat zo.’

En inderdaad, er stond er een te koop. Toen ben ik daar gaan kijken, bij een man in Zeeland, vlak bij Terneuzen. Mannes Welleweerd, die had daar in zijn huis wel 10 of 15 harmoniums staan, waaronder verschillende pedaalharmoniums. En deze was dus te koop, van het merk Pedalion. Toen zag ik dat dus voor het eerst, en ik heb er daar op gespeeld, triosonates, Bach-stukken en repertoire van latere datum. En ik vond het eigenlijk fantastisch.

Dat instrument was wel weer een beetje mijn kennismaking met de harmoniumwereld. En dat pedaalharmonium, dat is dus werkelijk zo’n perfect studie-instrument gebleken voor mij. Welleweerd had het helemaal gerestaureerd. Hij heeft het zelfs voor mij iets omhoog gebracht naar 440 Hz, want het was een fractie te laag, maar ik wilde dat het met de andere instrumenten precies op één lijn zou staan. Dus dat heeft hij voor mij gedaan.

En het rare is nu, dat dit instrument allerlei eigenschappen heeft die – objectief - eigenlijk niet prettig zijn. Bijvoorbeeld de 16 voets spreekt vrij traag aan, dat is nou eenmaal zo bij een harmonium. De pedaalpartij, als dat wat virtuozer wordt, dan is het bijna komisch, dat komt dan veel te traag. Maar op de een of andere manier stoort me dat totaal niet. En het is zelfs zo, dat ik merk dat als ik op dit instrument heb gestudeerd en ik ga naar de kerk, dat je een perfecte voorbereiding hebt gehad voor het spelen op het kerkorgel.

Dat heb ik meer gehoord.
Ja, Jaap Zwart, een collega van mij die ook organist en muziektheoreticus is, die zegt precies hetzelfde. Ik heb het daar wel eens met hem over gehad. Je zou dan denken: ‘waarom neem je dan niet zo’n elektronisch orgel, want dat schijnt dan veel beter te zijn, daar spreekt alles wel op tijd aan. Ik heb een tijdje zo’n instrument gehad in de tijd dat ik moest af studeren, maar ik heb het ook later weer verkocht. Op een of andere manier vond ik dat geluid dood. En het rare is dat zo’n harmonium, ook al heeft het dan misschien wel nadelen, het is dan toch een écht instrument, het is iets levends.

Inmiddels was ik dan toch wel weer geïnteresseerd geraakt in harmoniums. En een andere bevriende collega is Klaas Trapman, die hier ook ook in Scheveningen woont. Hij heeft beneden in zijn huis een grote kamer vol met muziek. Een vleugel, verschillende piano’s en verschillende harmoniums. Zelfs verschillende drukwindharmoniums. En één ervan was van jou. Dat had jij hem in bruikleen gegeven.

Daar had ik geen plaats meer voor.
Maar Klaas óók niet meer! Zijn kamer was ook vol.

Zijn Italiaanse drukwind gebouwd door Bruni heeft hij laten repareren. Mooi ding, heel dun van geluid.
Inderdaad. Wij hebben ook een kamer voor muziek-instrumenten, en we hadden wat geschoven, wat anders ingedeeld, eigenlijk was er een plekje vrij. Inmiddels was ik geïnteresseerd geraakt in harmoniums dus toen vond ik het toch eigenlijk heel leuk.

Klaas zei al langer: ‘Zou je eventueel plek hebben voor dat instrument.’ Of: ‘je moet eens op een drukwind leren spelen.’
Ik heb ooit ergens bij een concert gebruik moeten maken van een drukwind omdat het orgel dat er eerst zou staan, niet voldeed. Toen moest ik volkomen onervaren op zo’n instrument spelen. Toen merkte ik dus dat dit behoorlijk tegenviel, dat je dat niet zomaar kunt.

Vooral als je de expression gebruikt.
Ja, en toen scoorde Klaas in open doel: ‘Had je nou maar geluisterd, Bert’. Maar toen dacht ik: Nou heb k een lege plek, het is misschien een mooie gelegenheid om me te verdiepen in zo’n instrument.

Want de klank is natuurlijk totaal anders.
Het is natuurlijk wel herkenbaar harmonium, maar je kunt toch wel zeggen dat het een enorme dimensie meer heeft, waardoor het eigenlijk een wat professioneler instrument is.

Nou ja, toen is dat instrument bij ons geplaatst, en ik ben verder totaal ongeorganiseerd wat gaan proberen. Ik heb me zo langzamerhand die traptechniek voor het spelen met expression zo’n beetje aangeleerd. (Dit door Jaap Hillen aan Trapman uitgeleende harmonium en vervolgens naar Mooiman uitgeleende instrument, staat nu (2009) in bruikleen in de Nieuwe Badkapel en wordt daar ook daadwerkelijk gebruikt in zowel de vieringen als in concertante vorm, aldus een e-mail van Mooiman).

Interessant is dat.
Als je met je tenen die pedalen bedient, je zou zeggen wat maakt dat nou uit, dan lukt het dus inderdaad om het in bedwang te houden. Zo voelt het:  je moet het in bedwang houden. Die longen als het ware van het instrument.
Dan is er – en dat wist ik toen nog niet – in de korte tijd dat het harmonium populair was, een enorme hoop repertoire verschenen. Natuurlijk de bekende composities van Franse mensen, dat wist ik dan wel, van Vierne die 24 stukken in vrije stijl, En Franck natuurlijk, en anderen ook.

En natuurlijk ook in combinatie met andere instrumenten.
Ja, daar had Mannes Welleweerd me ook op gewezen, die heeft een cd even aan mij geleend met de combinatie harmonium en piano, dat is leuk, dat is heel erg mooi.

Het beroemde orgelwerk Prélude, Fugue et Variation van Franck is oorspronkelijk voor die combinatie nota bene, dat wist ik helemaal niet.

En er is ook veel bewerkt. Ook op Duits gebied, niet alleen maar Frans. Er zijn allerlei albums voor harmonium verschenen, met bekende stukjes, die dan overgezet zijn voor harmonium. Daar moet ik me allemaal nog een beetje in verdiepen hoor.

Dat is voor zuigwindharmonium, natuurlijk
Vaak wel. Maar zo’n echte Alexandre, is het een ontdekkingstocht naar de mogelijkheden van zo’n instrument. Wat ik in het algemeen zo ontzettend leuk vind is, dat je aan den lijve de samenhang tussen de frasering en de lucht voelt. De ademsteun zou ik bijna zeggen, je bent in feite bezig met de ademsteun zoals een zanger, maar dan met je voeten.

Omdat de aanspraak ook veel directer is, waarschijnlijk.
Ja, ja, maar je kunt prachtig, ook dynamisch natuurlijk, een frase modelleren met je voeten, en dat reageert ongelooflijk exact en precies en snel. En wat dat betreft is het ook een heel leerzaam instrument. Als organist, nu we gewend zijn aan elektromotoren, is misschien de orgelwind te gemakkelijk beschikbaar voor je gevoel. Dat hoeft niet gemaakt te worden, dat ding staat gewoon aan. Je drukt de toetsen in en dat is het dan. Met orgeltrappers is het denk ik weer wat anders, maar dat heb ik nog nooit ervaren. Maar hier maak je dan zelf die winddruk.

Pastoor Spaans die zegt: “Joh, je moet geen motor aanzetten, je moet trappen.” Ik zie dat nog niet helemaal: je trapt een balg vol, en uit de andere kant van de balg komt wind. Maar hij vindt dat als je trapt, dan krijg je toch meer bezieling dan met zo’n “stomme” motor.
Ja, dat is in feite net als bij het zuigwindharmonnium, wat dat betreft. Nou ja, het hangt er ook nogal van af  wat voor soort balg je hebt. Het orgel in de Nieuwe Badkapel, daar stellen de balgen weinig voor, het zijn bijna kleine regulateurs, dus eerlijk gezegd hoor je ergens wel die onrust van de motor in de toon. Dan is het natuurlijk helemaal onprettig, dan snak je naar levende trappers. Maarik kan me voorstellen als je nou een orgel hebt met een grote magazijnbalg, ik weet niet of het dan zo veel uitmaakt.

Ik moet echt zeggen: Ik ben nu ook aan het proberen met het zelf bewerken van muziekwerken voor het harmonium. Er zijn van die stukjes, bijv. de Humoresque van Dvorak, als je dat op harmonium speelt, dan zijn er plotseling zoveel nuances mogelijk, dat is werkelijk ongelooflijk. Daarmee bereik je toch iets wat niet meer lijkt op wat je met gewoon orgel doet. Doordat die toon zo levend wordt. Je kunt zoveel nuances maken in de dynamiek. Heel apart. Het verdient zeker toch meer bekendheid, vind ik.

Ik vind het ook een prachtige ingang voor het laat-romantische repertoire. Ik bedoel: dat je als het ware dichter bij de muziek komt door het op een harmonium te spelen. Juist door dat aspect van de enorme dynamische flexibiliteit, kom je bij een kant van de muziek die we anders dreigen te vergeten. Veel Nederlandse organisten  zijn natuurlijk toch opgegroeid met barok en neo-barok orgels.  Romantische instrumenten zijn toch eerder een uitzondering.

En als ze er zijn dan worden die vernietigd.
Ja, misschien dat er de laatste jaren een beetje een verschuiving plaatsvindt. Maar lange tijd waren romantische orgel gewoon een taboe.

Er wordt hier in de Nieuwe Badkapel geen les gegeven van het conservatorium?
Toevallig ga ik vanaf dit jaar harmonie aan het orgel geven in de kerk. Daar komt wel wat improviseren bij, maar geen gewone orgellessen.

Maar dat is toch best wel belangrijk. Stel je voor, je studeert orgel in den Haag, dat betekent dat je les krijgt in Amsterdam, want daar is de docent organist. Niks ten nadele van dat instrument, maar het is toch een bepaald type orgel. Zelf had ik destijds les op het Metzler orgel in de Grote kerk. Dat betekent toch dat je in je voorstelling gestuurd wordt in de richting van een barok instrument. En studeren op een orgel zoals in de Nieuwe Badkapel, wat ik niet een op en top romantisch instrument noem, maar toch wel een Van Dam 1926, dat al veel meer de kant van de romantiek uit gaat. Je ontwikkelt daardoor toch een ander esthetisch ideaal.

Ik denk dat een drukwindharmonium heel erg behulpzaam kan zijn bij het leren kennen van de sfeer die rond die muziek hoort. Dat hele gevoelige, in de detaillering.
Het grote nadeel van romantische muziek spelen op barok orgels is dat als je bij een barokorgel een register erbij trekt, een viervoet bijvoorbeeld, dan verandert die klank echt totaal. bij een romantisch instrument is dat in het algemeen veel geleidelijker. Daar wordt veel meer de soepele overgang gezocht. En op een een drukwindharmonium kun je dat bij uitstek realiseren, die soepele overgangen. Ik denk echt dat het niet zo gek zou zijn als meer mensen daarop zouden spelen.

Ook om te studeren, zei je net, het is een ideaal studie instrument, maar dat zijn allemaal zuigwind harmoniums. Ook bestaan wel drukwind pedaalharmoniums maar de meesten zijn zuigwind.
Nou ja, dan is de klank wat ‘doder’ Maar ik vind het pedaalharmonium inderdaad fijn om te studeren.

Als het een goed studie instrument is dan zou je er voor kunnen pleiten om een aantal van die instrumenten aan te schaffen. Zodat de studenten niet de kerken belasten. Dan zou je kunnen zeggen: Daar staat een pedaalharmonium.
Ik heb boven een piano staan met een pedaal gekoppeld. Heb je dat wel eens gezien?
Ja. Ik heb ook wel eens op zo’n instrument gespeeld.  Dat was wel leuk, die was van Albert Schweitzer geweest. Ik ben ooit in Günsbach geweest, het dorpje waar hij opgroeide als de zoon van de plaatselijke predikant, in de Vogezen is dat. Daar staat het Schweitzer huis. Dit huis heeft Albert Schweitzer in 1928 met het geld van de Goetheprijs van de stad Frankfurt laten bouwen. Hij wilde in het dorp waarmee hij sinds meer dan 50 jaar verbonden was, het rustpunt in zijn drukke leven maken.

Huis van Schweitzer   Pastorie
Het huis dat Schweitzer liet bouwen, nu het "Schweitzer Museum"   De pastorie waar Schweitzer opgroeide.

In dit huis is beneden nog steeds een soort expositie. Je kunt daar ook zijn werkkamer nog bekijken. In de vroegere woonkamer valt om te beginnen de "tropenpiano" op met een daaraan bevestigd orgelpedaal, dat Schweitzer, de eerste keer dat hij naar Afrika vertrok, van de Parijse Bachvereniging kreeg. Toen zeiden ze: “Hier, heb je een piano, dan kun je ten minste nog wat studeren.” Zich niet realiserend dat dit een tamelijk lastig transport ging worden daar, op zo’n kano over de rivier. Maar er bestaan foto’s van dat ze dat instrument toch op die manier hebben versleept.

Ik heb daar zelfs nog even mogen spelen. Er stond een grote Bachband van de oude meester op de piano. Ik ben gek op de orgelopnamen van Schweitzer, dus ik vond dat toch wel een ontroerend moment, om dan uit zijn eigen boek, op zijn eigen piano de C-moll te kunnen spelen.
Dus, dat is ook een interessante optie voor studerende organisten, zo’n pedaalpiano. Het lastige is altijd dat je het gebruikelijke pianopedaal dat de dempers oplicht niet meer zo goed kunt gebruiken. Je hebt maar twee voeten.

Maar dat heb je op een orgel ook niet.
Maar daar blijft de toon natuurlijk doorklinken.

Maar bij een triosonate heb je daar geen last van.
Nee, zeker niet, maar ik denk meer aan de stukken die voor pedaalpiano gecomponeerd zijn. Je hebt stukken van Schumann, een aantal compositie’s.

Maar heb je dan het rechterpedaal nodig?
Je moet met je linkervoet op het “orgelpedaal” spelen zeg maar, en met je rechtervoet moet je dan – wat ze noemen het forte-pedaal – bedienen. Maar je kunt je hiel niet steunen, dus dan wordt met het ene been als het ware pompend gespeeld, dat wordt allemaal wat minder subtiel.

Ik zou dat allemaal eens moeten uitproberen, dat lijkt me wel leuk.
We hebben trouwens ooit, zit ik ook wel eens aan te denken dat het leuk zou zijn om te bezitten, echte volwaardige pedaalklavieren met eigen snaren en eigen mechaniek gehad.

Ik heb er een gehad, maar die was heel slecht. Ik weet niet eens waar die gebleven is. Inderdaad, daar hoefde je alleen de piano om hoog te zetten, en het pedaal er onder te schuiven.
Achter je rug toch, met een klankkast?

Nee, er onder, de snaren lagen onder de toetsen van het pedaal. Je zat dus wat hoger, en onder de pedaaltoetsen lagen de snaren, en daarachter daar waren de stemkrukken.
Ik heb een keer een plaatje gezien met een staande kast, achter de rug van de speler.

Ja, er zullen wel verschillende instrumenten gemaakt zijn.
Het blijft natuurlijk een piano. En dat is toch een wezenlijk ander instrument.

Maar ook leerzaam voor organisten om het toucher te leren. Want er zijn organisten die totaal geen piano kunnen spelen, die bonken alleen maar.
Ik weet het. Het blijft, omdat ik voor allebei die instrumenten gelijktijdig heb gestudeerd, een vrij complexe toestand. Ik zou niet durven zeggen dat elke organist ook een pianist moet zijn, ergens denk ik toch wel dat het goed zou zijn.

Ook voor de muzikale ontwikkeling.
Ja, en het repertoire waar je mee in aanraking komt. Een organist loopt op een heel smal pad. Een kleine wereld, je zit ook nog eens in je eentje daarboven.

En de kerken lopen leeg.
Ook dat, en die orgelconcerten dat houdt ook al niet over. Je moet je best doen, vind ik, om als orgelstudent om veel om je heen te kijken, veel kennis te maken met allerlei soorten verschillende muziek.

Ik vond het heel interessant wat je zei. En ik dank je hartelijk.
Graag gedaan,

Pedaalpiano   het wellenbord
Pedaalpiano van Jaap Hillen   De wellenbord constructie voor het pedaal

de term ‘tropenpiano’ is niet van de heer Mooiman, maar is te vinden op de website over Schweitzer

 

 

Terug naar Muziek                    Terug naar Home