Menubalk

 

 

 

 

 

 

 

created: 21-12-2011

update: 5-03-2012

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

cd 60

Bach played on
German Harmonium
with expression

"Das alte Jahr vergangen ist"

Klaas Hoek plays a Mannborg 1911; Mannborg 1917; Lindholm 1922. All of them suction instruments featuring expression and double expression.

 

 

Disc information

Title Das alte Jahr vergangen ist
sub title Music of J.S.Bach
Performer Klaas Hoek - harmonium
Publisher Windharmonium.nl
Disc-ID Wh B101
Year of release 2012

Tracklist

track BWV title time / clips
1
614
Das alte Jahr vergangen ist 3:53
2 1080 Die Kunst der Fuge: Contrapunctus 2 4:06
3 934 Prelude c moll 2:27 / clip 1:10
4 935 Prelude d moll 1:53
5 936 Prelude D Dur 3:30
6 931 Prelude a moll 2:20
7 1080 Die Kunst der Fuge: Contrapunctus 1 5:29
8 881 Prelude f moll 4:12 / clip 2:25
9 855a Prelude e moll 1:07
10 927 Prelude F Dur 0:44
11 539 Prelude d moll 4:10 / clip 2:19
12 1080 Die Kunst der Fuge: Contrapunctus 9 3:19
13 855a Prelude e moll 3:17
14 816 Sarabande 5:08 / clip 2:49
15 1080 Die Kunst der Fuge: Contrapunctus 3 4:41

 

Das alte Jahr vergangen ist

Toelichting


Sinds ongeveer 20 jaar houd ik mij bezig met musiceren op harmonium, en dan met name op zuiwindharmonium met (double) expression. Dit instrument heeft als bijzonderheid ten opzichte van andere toetsinstrumenten als piano, orgel, klavecimbel dat het ontstaan van de toon en vervolgens het dynamisch verloop van die toon door de speler te beïnvloeden zijn.

Aanvankelijk benaderde ik het instrument enerzijds vanuit mijn speelpraktijk als organist en clavechordist: een speelpraktijk gericht op het historiserend uitvoeren van oude muziek met veel aandacht voor diverse articulatievormen. Anderzijds benaderde ik het vanuit mijn speelpraktijk gericht op het uitvoeren van nieuwe muziek van na 1950: een speelpraktijk waarbij het benutten van alle klankmogelijkheden die een instrument heeft en improvisatie een belangrijke rol spelen.

Met name door de combinatie van speelpraktijk gericht op klank en een speeltechniek met veel aandacht voor allerlei soorten articulaties, ontdekte ik dat het zuigwindharmonium met expression een groot palet heeft aan klanken die door de speler te beïnvloeden zijn.
Dit betreft niet alleen het ontstaan van de toon en vervolgens het dynamisch verloop. De technische inrichting van het instrument stelt de speler ook in staat om richting te geven aan een toon, actief te zijn in het gebied tussen twee tonen en groepen tonen in karakter en spanningsopbouw  op elkaar te betrekken waardoor subtiel en fijnzinnig gemusiceerd kan worden. Hiermee is een duidelijke verwantschap met technieken die gebruikt worden bij strijkers en door zangers.
Al vragen stellend en met het uitproberen van deze technieken kwam ik tot de conclusie dat realisatie van muziek van J.S. Bach op dit type harmonium leidt tot een speciale klankwereld en expressiviteit. Deze cd is daar een voorbeeld van.

Klaas Hoek.


Het Harmonium en “New Musicology”

In de muziekwetenschap is de afgelopen twee decennia steeds meer aandacht ontstaan voor de vraag wat we eigenlijk onderzoeken wanneer we muziek onderzoeken - want dat is tenslotte de crux van muziekwetenschap. Het lijkt er inmiddels op dat we grofweg twee typen van muziekwetenschap kunnen onderscheiden.

Aan de ene kant staat onderzoek naar partituren, componisten, instrumenten en alle andere randvoorwaarden van muziek centraal. Het staat buiten kijf dat deze traditionele vorm van muziekwetenschap hoogst belangrijk is: zonder kennis van de context is het bestuderen van welk onder dan ook immers zinloos. Maar het omgekeerde is ook waar, en dat is wat de muziekwetenschap in toenemende mate beseft: muziek bestaat weliswaar bij de gratie van de randvoorwaarden, maar valt daarom nog lang niet samen met die voorwaarden. Een partituur is geen muziek, om maar eens iets te noemen. Dit type inzichten kenmerkt meteen de kern van wat een tijdlang logischerwijs ‘New Musicology’ heette, en dat zich richtte op datgene wat er klinkt wanneer er muziek klinkt. Het doel was ‘to put music back in musicology’, zoals de befaamde musicoloog Nicholas Cook het formuleerde.

Deze uitbreiding van het muziekwetenschappelijke spectrum maakt het vak zowel complexer als interessanter. De basisprobleemstelling van alle onderzoek op dit nieuwe vlak laat zich gelukkig kernachtig formuleren: wat doet de musicus wanneer hij musiceert?

De richting van deze vraag is wezenlijk anders dan de basisvraag die veel musici zich onder invloed van traditionele muziekwetenschap stellen, namelijk: welke kennis bestaat er rond de partituur die ik op de lessenaar zet, en hoe verwerk ik zowel die kennis als mijn eigen ideeën, overigens vaak daaraan ontleend, in mijn muziek. De veelal onuitgesproken en mogelijk ook ongedachte vooronderstelling die daaronder schuil gaat, is dat er een ideale uitvoering zou zijn, en dat het zaak is deze zo goed mogelijk te benaderen. Deze werkwijze laat zich, ab absurdum gevoerd, ontmaskeren als een recept dat nooit in staat zal zijn een ideale uitvoering te realiseren.

Zich richten op musiceren zonder deze traditionele vragen centraal te stellen (maar uiteraard wel in de periferie mee te wegen) betekent kiezen voor een musiceren waarbij de musicus herkend en erkend wordt als de bepalende figuur in een muzikale situatie. Zijn of haar taak wordt daardoor (nog) complexer dan voorheen: niet alleen dient de musicus de geschiedenis van de interpretatie en receptie van de te spelen composities te kennen, maar ook de eigen positie ten aanzien van deze geschiedenis te bepalen. In de praktijk betekent dit de opdracht te beseffen dat een historiserende benadering feitelijk een beperkende benadering is:  instrument, akoestiek en andere omstandigheden worden daarin immers ondergeschikt gemaakt aan de te realiseren muzikale situatie, terwijl ze even goed als bepalende factoren kunnen worden gezien.

Deze cd is een voorbeeld van hoe een keuze voor dat laatste een nieuwe vrijheid in het musiceren oplevert en tegelijk een verantwoording ten aanzien van traditionele laat 20-ste eeuwse wijzen van muziek vereist. Wie muzikaal op dit grensvlak opereert, kiest uiteraard partituren waarvan de kwaliteit boven elke verdenking verheven is. Al eerder is bewezen - denk aan Karl Straube’s uitgaven van orgelmuziek in 1904 en 1907 - dat Bachs muziek een door de musicus bepaalde interpretatie  uitstekend verdraagt; en daardoor wellicht zelfs onvermoede rijkdom openbaart.

Dr. Hans Fidom, hoogleraar Organologie, VU Universiteit, Amsterdam.

 

ENGLISH edition of the text above

Introduction

For the last 20 years or so, I have played the “art” harmonium with so-called (double) expression. This instrument offers the player, in contrast to the piano, organ and harpsichord the ability to directly influence the beginning of the note and its dynamic development. Initially approached the instrument from my background as an organist and clavichordist: a background centred on the performance of early music with extensive attention paid to the diversity of articulation.

On the other hand, I also approached the instrument from the perspective of my activities playing new music composed since 1950 in which the exploration of all the colours inherent in a particular instrument and the art of improvising play an important role. The combination of a practice focused on sound and a technique focused on variety of articulation led me to discover that the harmonium with ‘expression’  has a large palette of colours which can be manipulated  by the player. This applies not only to the aforementioned beginning of the note and its dynamic development  but also to the instruments ability, thanks to its technical construction, to affect a crescendo or diminuendo during a note’s duration and also to allow the player to determine the character and tension between two notes or groups of notes.

The instrument has, therefore, enormous musical potential, both sophisticated and subtle, and the techniques involved have obvious similarities with those employed by string players and singers. When considering these techniques I came to the conclusion that the music of J.S. Bach could open a special sound world and degree of expressivity if played on this type of harmonium. The present CD is designed to illustrate this match of music and instrument.

Klaas Hoek.

 

The Harmonium and ‘New Musicology’

During the last 20 years, musicology has focused more and more on the question of what we are actually researching when we research music or, to put it another way, what is the crux of the subject. It seems today that we can differentiate (broadly speaking) between two kinds of musicology. On the one hand we have the study of scores, composers, instruments and all the other peripheral circumstances surrounding music. It goes without saying that this traditional form of musicology is of great importance: the study of anything is dependent on a knowledge of context.
However, the reverse is also tru, and this is what musicologists are starting to realise to a greater degree: music indeed exists thanks to its peripheral circumstances but this does not imply that those circumstances correspond to the music itself. A score is not, in itself, music, for example. This sort of insight has come to characterise what is now, logically, called ‘New Musicology’, focusing on the sound produced when music is made. The goal of this ‘New Musicology’ was, as the renowned musicologist Nicholas Cook put it, ‘to put music back in musicology’.

The expansion of the musicological spectrum renders the subject both more complex and more interesting. The basic issue behind all research undertaken within the context of New Musicology can, fortunately, be summarised in one short question: what is a musician doing when he makes music? The implication of this question is fundamentally different from the basic issue considered by many musicians still under the influence of traditional musicology, namely what knowledge exists ‘around’ the score which I am now placing on the music stand and how do I integrate this knowledge with my own ideas (which incidentally , are often derived from the knowledge in question) about music making? The undercurrent to this question, both unspoken and perhaps not even considered , is that there must be an ideal performance and the real task at hand is to come as close as possible to this performance.

This way of working, when taken to its ultimate degree, reveals itself as a recipe which is unable to realise an ideal performance. The orientation of one’s music making without placing these traditional questions in a central role (although maintaining them as peripheral considerations) means opting for a manner of making music in which the musician is recognised as, and credited with, being the determining figure is a musical situation. His or her job becomes, as a result, (even) more complex than was previously the case: the musician is obliged not only to know about the music’s interpretation and reception history but also to determine his or her own position in relation to it. In practice this means realising that a historically-oriented approach is also a limiting one: instrument, acoustic and other circumstances are rendered secondary considerations in the musical situation at hand while they could, in fact, be considered equally important factors.

This CD is an example of how making a conscious choice with respect to ‘New Musicology’ can lead to a new freedom in music-making while obliging the player to justify his choice in the context of the traditional 20th century approaches to interpretation. The musician who operates on this frontier must, of course, choose scores whose quality is beyond question. As has already been demonstrated (think of Karl Straube’s organ editions of 1904 and 1907), Bach’s music passes the test of an interpreter-orientated performance with flying colours, perhaps even revealing  new riches in the process.

dr. Hans Fidom, professor of Organology at VU University, Amsterdam

 

 

 

 

cd-60-instruments