Menubalk Tienhoven
 

Update: 26-11-2009

Terug naar Historie

 

Voorlopers in expressie

 

1810 Orgue-Expressif

1815 Aeoline

1820 Aeolodikon

1823 Physharmonica

 

 

 

 

 

 

 

Voorlopers van het harmonium en tijdgenoten daarvan

In de 18e en 19e eeuw zijn instrumentenbouwers steeds actiever geworden en vinden het ene na het andere nieuwe instrument uit. Bij een niet onaanzienlijk deel daarvan speelde het streven naar expressie een grote rol. Expressie is hier gebruikt als een overkoepelende noemer. De nagestreefde doelen zijn het dynamisch bereik (volume) en een dynamische klank (timbre).

Wat is een voorloper?

Hier richten we ons voornamelijk op de voorlopers van het harmonium. In de zijlijn komen ook andere instrumenten (soms veel oudere) aan de orde. Dus ontstaat de vraag: Wanneer is dan een instrument als voorloper van het harmonium te beschouwen? Hier sluit ik aan bij de gedachtengangen van Joris Verdin in zijn dissertatie:

Het Harmonium 'Een muzikaal esthetische en speeltechnische studie van de ontwikkeling en het belang van het harmonium in Frankrijk, Duitsland en België". Leuven, 2001.

Uit de literatuur blijkt dat diverse schrijvers (in tijd overlappend of elkaar opvolgend) tot een aantal noodzakelijke voorwaarden komen die gezien worden als inherente eigenschappen van het harmonium:

  1. Windvoorziening door middel van trappers
  2. Een windlade met doorslaande tongen
  3. Een klavier.

Later voegt Mustel daar nog aan toe: Registers (om de klankkleuren te beïnvloeden.

Verdin komt na analyse dan tot de volgende definitie van het verschijnsel "harmonium":

Verdin's definitie van het "klassieke harmonium"

  1. De doorslaande tong als toonbron
  2. Een klavier met een omvang van 5 octaven (C-c4)
  3. Twéé treden om met de voeten de windvoorziening te bedienen en de wind te beheersen (volume-intensiteit) **
  4. In principe 4 rijen tongen, verdeeld in bas- en discant, in de voetmaathoogten 8,16,4,8

** Hierin is impliciet opgenomen de expression!

Omdat Verdin hier het "klassieke vierspel" in een definitie opneemt, ontstaat het gevaar dat als we dat te strikt lezen, er problemen ontstaan met varianten op het klassieke vierspel drukwindharmonium.

Lezen wij de de definitie Verdin op een wettische manier, dan zien we dat het zuigwindharmonium, drukwindharmoniums met minder dan 4 spel, maar ook het originele Poïkilorgue van Cavaillé-Coll geheel buiten de boot vallen.
Immers, de genoemde klavieromvang is gestandaardiseerd bij het klassieke Franse harmonium zoals Debain dat op de wereld gezet heeft, maar het zuigwindharmonium (met een klavieromvang van FF-f3) valt dan buiten de boot. Mede ook gezien het feit dat ook tessituren anders dan 5 octaven. Het strikt nemen van de klavieromvang C-c4 is dan ook niet geschikt voor een definitie als we ons op voorlopers van het klassieke vierspel drukwindharmonium richten. Ook bij de windvoorziening speelt dit probleem, als we vasthouden aan twéé trappers schakelt voorlopers uit.

De definitie van Verdin onderschrijf ik volmondig en is voor mij de enig juiste voor het drukwindharmonium met een klassiek vierspel.
Bij het bespreken van "voorlopers" maak ik de definitie echter wat ruimer van aard:

Mijn definitie

  1. De doorslaande tong is de toonbron
  2. Een klavier (zoals we dat kennen van orgel en piano).
  3. Een windvoorziening met de voeten waarmee verandering in de volume-intensiteit bereikt kan worden.

Door deze definitie te gebruiken, valt het orgue-expressif aan te merken als voorloper van het harmonium. Let erop dat Verdin - volkomen terecht - sterk benadrukt dat er sprake is van twee trappers. Instrumenten met één trapper ontberen een deel van de veranderlijke volume-intensiteit, en verliezen daarmee een deel van de zeer kenmerkende eigenschap van de doorslaande tong. Om over instrumenten voorzien van een windmachine maar niet te spreken. Het pedaalharmonium is dan in mijn ogen inderdaad een "Ersatz Orgel", maar geen harmonium in de zuivere betekenis als klassiek drukwindharmonium. Ook al deelt het tweederde van de eigenschappen met het harmonium.

In zijn boek "Das Harmonium" van 1913 schrijft Hartmann over de uitvinding van het harmonium. Daarbij richt hij zich niet specifiek op het drukwindharmonium wat door ons als uitgangspunt genomen wordt, maar hij richt zich op het principe van het instrument. En zo komt hij tot de stelling dat het harmonium feitelijk een duitse uitvinding is. Later op deze pagina leest u een deel van zijn betoog.

Misvatting over expression

Overigens, vaak is het verhaal dat het klassieke Franse harmonium expressief is, en het zuigwindharmonium niet. Velen zeggen dan - tactvol en diplomatiek - dat dit niet helemaal klopt. Ik zeg het hier duidelijker: "Dit is een onware stelling."
Het dynamisch bereik qua volume is bij het zuigwindinstrument inderdaad beduidend minder dan bij het Franse drukwind, maar er is - zelfs voor een minder geoefende speler als ondergetekende- terdege de mogelijkheid herkenbare dynamische volumeverschillen te creëren op een zuigwind, zonder gebruik te maken van de fortekleppen en/of de octaafkoppels.

Nieuwe instrumenten in de 19e eeuw

In de tabel hieronder staan allerlei nieuw uitgevonden instrumenten uit de periode 1700 - 1843. Niet alle instrumenten zijn voorlopers van het harmonium. Bij instrumenten die voldoen aan de gegeven definitie, zal ik proberen afbeeldingen en technische details te verzamelen en te publiceren. Waar dit lukt, zullen deze instrumenten toegelicht worden op een eigen aparte pagina.

De lijst met nieuwe instrumenten is waarschijnlijk nog niet compleet. Zodra we uit de literatuur meer instrumenten leren kennen, zullen deze toegevoegd worden. Uitvinders zochten naar nieuwe instrumenten en moesten dan ook een nieuwe naam verzinnen. De lijst bevat daardoor soms bijzondere of schitterende namen van instrumenten. Doordat uitvinders en de toenmalige "pers" over de naamgeving niet de volledige controle konden uitoefenen, zien we ook verbasteringen of foute namen in de literatuur. We zullen hier dan ook met behulp van deskundigen (o.a. Johan de With, Wim Olthof, Louis Huivenaar en Robert Gellerman) een poging wagen de misverstanden op te helderen.

In de tabel uiteraard de namen van de uitvinders. Het spreekt vanzelf dat wij er naar streven gegevens over deze instrumenten en de uitvinders lokaliseren. Waar meer gegevens beschikbaar zijn, ziet u een link naar de betreffende pagina.

Voor de samenstelling van de lijst is gebruik gemaakt van een aanzienlijke hoeveelheid literatuur.

Een lange rij van instrumenten met de doorslaande tong als bron van toonopwekking zijn gepasseerd vooraleer Alexandre Debain de naam 'harmonium' patenteerde. Meer nog: zijn uitvinding werd een norm. Alle latere verbeteringen en uitbreidingen hebben zich geconformeerd aan de norm zoals door Debain vastgesteld.

Hartmann: Das Harmonium

As inventor of the harmonium, one could probably name Bernhard Eschenbach, [**]  a revenue officer (Rentamtmann) in Königshofen im Grabfeld (Bavaria). This man was incessantly occupied with the advantages of the Aeolsharfe: a beautiful Crescendo and Decrescendo of the harmonies, to transfer these advantages to our musicinstruments and make them dependent to the will of the player.
He also started his first attempts with with intestine and metal strings,  but the results were not satisfactory.
Than through study of the Aura (Maultrommel, Jaws Harp / Jews Harp), in which instrument was a free reed, which volume could be altered by the breath of the player, he came to the idea to use this type of free reeds as tone producer.
Hence he constructed, with help of the instrument maker Caspar Schlimmbach his Aeoline (ca. 1812). As tonal source he used free reeds, called Springs (Federn) in those days. […] Through the direct influence of the wind it became possible to play the instrument with expression. [X]

[**] Before him a certain Joh. Tob. Eschenbach, a Türmer at the Michaeli Church of Hamburg, invented a keyboard instrument, named Aeolodion. In this instrument sounds were generated by free reeds (Federn), by means of treadling the tone could be swelled up and down in volume.

A Türmer was in medieval times a guard, watching over the surrounding area from a Tower. This job was considered to be an “unehrlich Beruf” meaning the job did not bear any honour in social perspective.

Als Erfinder des harmoniums kan wohl ein Deutscher – Bernhard Eschenbach [**], ein Rentamtmann in Königshofen im Grabfeld (Bayern) – bezeichnet werden.  Derselbe ware unablässig bemüht die Vorzüge der Aeolsharfe: das schöne Crescendo und Decrescendo der harmonieen, auf unsere Musikinstrumente zu übertragen und von dem Willen des Spielers abhängig zu machen.
Auch er machte die ersten Versuche mit Darm- und Metallsaiten, abier diese lieferten kein günstiges Resultat.
Da kam er durch die Maultrommel (Aura), in welcher einde durchschlagende Zunge nur durch den Hauch des Mundes einen schwächeren oder stärkeren  Ton gibt, auf den Gedanken, diese Zungen als Tonerzeuger für sein Instrument zu verwenden.

So konstruierte er denn mit hilfe des Instrumentmachers Caspar Schlimmbach seine Aeoline (um 1812). Als Tonerzeuger dienten freischwebende Metallzungen, damals „Federn“ genannt/ [...] So ergab sich durch die direkte Einwirkung des Windes auf die Zungen in sehr einfachter Weise das Expressionsspiel.

[**] [1] Vor ihm soll allerdings schon ein Joh. Tob. Eschenbach, Türmer an der Michaeliskirche in Hamburg ein Tasteninstrument erfunden haben, das er Aeolodion nannte. In demselben wurde die Tóne durch freischwebende „Federn“ (Zungen) erzeugt, welche durch einen Windstrom aus einem Balge in Schwingungen versetz wurden. Durch entsprechendes Treten konnte man den Ton an- und abschwellen lassen.
Türmer war im Mittelalter die Bezeichnung für einen Wächter, der von einem Turm aus die Umgebung beobachtete. Die Tätigkeit zählte zu den so genannten unehrlichen Berufen.

Bron:
Hartmann, L. [Hg.]. 1913.
Das Harmonium. umfassend die Geschichte, das Wesen, den Bau und die Behandlung des Druck- und Saugwindharmoniums nebst einer Abhandlung über das Harmoniumspiel.
Leipzig: Bernh. Friedr. Voigt, p. 9-10

 

 

Toonbron
jaar
Instrument
Uitvinder
 
1700
  Organino   TESTA, Filipo
 
1740
  Anemocorde   SCHNELL, Johann Jacob
 
1761
  Glassharmonica   FRANKLIN, Benjamin
 
1770
  Melodica   STEIN, Johann Andreas
 
1787
  Orchestrion   RACKWITZ, Georg-Christoffer en Vogler
 
1789
  Euphonium   CHLADNI, Ernst Florens Friedrich
 
1800
  Mélodicon   RIFFELSEN, Pierre
 
1805
  Mélodion   DIETZ, Johann Christian (en Petzold)
 
1807
  Panharmonicon   MAELZEL, Johann Nepomuk (en Beethoven)
 
1810
  Clavicylindre   CHLADNI, Ernst Florens Friedrich
 
1810
  Orgue-Expressif   GRENIE, Gabriël Joseph
??
1814
  Aelodion   ESCHENBACH Joh. Tob
 
1814
  Organo-Violine   ESCHENBACH, Bernhard
Eschenbach tongen
1815
  Aeoline   SCHLIMMBACH Johann Casper (en Spontin)
 
1817
  Terpodion   BUSCHMANN Johan David (en Liszt)
 
1818
  Aeolomelodion   BRUNNER, F. (en Hoffmann)
 
  Eolomelodikon   (en Chopin)
Physharmonicatongen
1818
  Physharmonica   HAECKEL, Anton
Eschenbach tongen
1820
  Aeolodikon   VOIGT, Carl Friedrich
 
1821
  Aura   BUSCHMANN, Christian Friedrich Ludwig
 
1822
  Handaeoline   BUSCHMANN, Christian Friedrich Ludwig
 
1823
  Mundaeoline   MESSNER, C.
 
1824
  Handharmonika   REINLEIN Georg Anton
 
1825
  Aeolharmonica   REINLEIN, Georg Anton
 
1825
  Aeolopantaleon   DLUGLOSZ, J.
 
1825
  Symphonium   WHEATSTONE, Charles
 
1827
  Polyplectron   DIETZ Jean Chrétien
 
1828
  Aerophon   DIETZ Jean Chrétien
 
1829
  Concertina   WHEATSTONE, Charles
 
1829
  Akkordeon   DEMIAN Cyrillus
Eur. model tongen
1835
  Zuigwindharmonium   Werknemer van Jacob Alexandre
 
1837
  Mélophone   LECLERC,
 
1839
  Piano-Concertina   ALEXANDRE, Jacob
 
1840
  Orgue-Harmonium   DEBAIN, Alexandre François

 

 

Terug naar boven