Menubalk Tienhoven Techniek
 

laatst bijgewerkt: 8 April, 2009

Terug naar Letterkunde

 

 

 

 

 

Herinneringen aan Bert Klei van dagblad 'Trouw'

© 2008 Frans van der Grijn

* 23-07-1924 - † 23-07-2008

A.J. Klein (Bert) was een 'monument' in de Nederlandse kerkelijke wereld. Zijn overlijden was voor mij aanleiding mijn persoonlijke herinneringen aan hem op papier te zetten en hier te publiceren. De herinneringen zijn tweeledig. Het eerste is een wat langer verhaal.

Foto van Bert Klei gemaakt door Sjaak Verboom
© Sjaak Verboom, met dank voor de welwillende toestemming tot plaatsing op deze pagina.
Het is nadrukkelijk niet toegestaan deze foto te vermenigvuldigen of te verspreiden zonder toestemming van de fotograaf.

Dagbladen "Trouw" en "De Rotterdammer"

In mijn jeugdjaren had ik een krantenwijk, omvattende geheel Tienhoven en geheel Ameide. Die jeugdjaren waar ik het over heb zijn de jaren rond 1965 - 1970. Ik werd 'geroepen' tot het baantje om zowel "De Rotterdammer" als "Trouw" te bezorgen. Beide waren protestants-christelijke dagbladen en werden in die dagen geconcipieerd in de Rotterdamse Witte de Withstraat. (Een straat waar ook Pietje Bell zijn schelmengedrag vertoonde!) De Rotterdammer was een 'hervormde' krant, Trouw was 'gereformeerd'. De grootste cultuurschok in mijn jonge leven was dan ook dat eind 60-er jaren deze twee kranten samengevoegd werden en tot mijn niet geringe verbazing - je bent nog jong en naief - verder gingen als één krant onder de naam Trouw.

De krantenwijk was gróót. Erg groot. Enkele honderden exemplaren werden 's morgens tussen 4 en 5 uur in de fietstassen gedaan. En ik was er toen maar wat trots op dat de laatste krant in de route altijd vóór 07:00 uur in de laatste brievenbus lag. Zes dagen in de week, het hele jaar door. En dan begon rond half acht de fietstocht van 15 kilometer naar Vianen, om de school te bezoeken. Toen ook nog op zaterdagmorgen.

Eerst Tienhoven Lekdijk voorzien van kranten. De meeste bewoners van de lintbebouwing langs de rivier wisten niet beter: ruim voor 06:00 lag de krant op op de mat. Groene "buitenbussen" bestonden nog maar net. in die dagen verschenen de eerste exemplaren in het landschap. En bij Arie den Braven (de laatste boerderij van het dorp) over de ruilverkaveling naar de Tiendweg, de Hoge Waard om in Ameide langs een grondig uitgekiende route vrijwel huis aan huis deze (toen nog godvruchtige) kranten te bezorgen. Een reformatorische krant bestond domweg nog niet eens.

Docent van der Tuijn

Mijn leraar Nederlands op de MULO in Vianen, meneer van der Tuijn, schiep er een sarcastisch genoegen in om de beide keren in de week dat Nederlands op het 'eerste uur' van mijn klas stond, de courant in de taalstudie te incorporeren. (Uit deze formulering blijkt dan maar mooi dat zijn lessen succesvol waren). Al snel had hij door dat ik - evenals een aantal klasgenoten - een 'krantenwijk liep'. Maar even zo fluks had hij door dat ik behalve het bezorgen der couranten tijdens de ronde nog wat anders deed. Twéé dingen om precies te zijn. Het eerste vernam hij van klas- en dorpsgenoten die dachten mij daarmee te kunnen pesten: Ik kon toen niet fluiten. Behoudens het voortbrengen van één enkele toon om de hond te roepen. Dus floot ik niet in de vroege morgen, maar zong. Repertoire dat de toets der othodoxe kritiek glansrijk kon doorstaan, immers ik bezorgde 'godvruchtige' dagbladen. Ik kreeg daarover wel eens een opmerking, dat een parelende psalm om kwart voor zes in de morgen niet de meest vrome gedachten opwekten bij de nodeloos vroeg ontwaakten. En waarom "ontwaakten"? Ik kreeg concurrentie van een overtuigde socialist, die mij bestookte met de "Internationale" en die begint, zoals u weet met: "Ontwaakt, verworpenen der aarde!"

Overigens imiteerde ik hiermee mijn moeder, die in een dampende keuken de maaltijd voor 8 personen bereidde en dat veelal deed met het gelijktijdig kwinkeleren van psalmen en geestelijke liederen. Zij had een zeer omvangrijk repertoire op dit gebied. Als ik op zo'n moment dan ook nog het harmonium bespeelde, dan was het helemaal feest op het Luijendijkplein in Tienhoven.

Het tweede wat ik deed was voor Van der Tuijn spekkie naar zijn bekkie: Ik lás de krant. En ik bleek dat ook nog te kunnen reproduceren in de les. Nee, niet alleen 'koppen snellen' maar daadwerkelijk het artikel ónder de kop lezen. En het geschiedde in die dagen, toen van Van der Tuijn heerste over zijn rijk in het 3e noodlokaal, dat ik ik ook in staat bleek de schrifturen van AJK in de les te reproduceren. Het heeft enige tijd geduurd vooraleer ik ontdekte dat Van der Tuijn zelve de column ook al gelezen had, de krant zat in zijn tas.

Toen ik in een aanpalend schooljaar in een zeer onbetamelijke ruzie verzeild raakte met meneer Van der Tuijn en ik hem mijn met boeken gevulde schooltas naar het hoofd wierp, maar slechts zijn schouder raakte, moest ik op het matje komen bij directeur Den Hartogh. Jan heette hij. Hij was ook nog - namens de C.H.U. - lid van de gemeenteraad in Vianen. Het was een ernstig vergrijp, dus ook conrector Jo Hamerling - politiek A.R.P. en organist op de Strümphler te Lexmond en benevens de vaste bespeler van het gigantische harmonium in de aula van de school - moest aanwezig zijn. Daar zat ik, tegenover het driekoppige Sanhedrin. En tot mijn grote verbazing, ik was waarlijk ontsteld!, kirde heer Van der Tuijn met zijn hoge stemmetje: "Ja, dit is ernstig, maar hij is wel de énige in de klas die de krant léést, hij snapt zelfs de columns van Klei!" Ik waag het te betwijfelen of hij met het laatste deel van zijn argumentatie de beide hervormden in het Sanhederin zou weten te overtuigen. Maar zijn de wegen God's niet ondoorgrondelijk, zoals wij allen geleerd hebben? De hervormden lazen Klei dus óók. Er ging géén brief naar mijn ouders, ik moest wél beloven het thuis te vertellen wat er voorgevallen was. Dat hoefde overigens niet eens, bij thuiskomst bleek mijn moeder al "opgetelefoneerd" te zijn, en vroeger kreeg je dan nog op je 'falie'. Bestaat dat nog? Overigens, later bleek dat meneer van der Tuijn vond dat het zijn schuld was dat ik uit mijn dak ging.

Ten tweede

Het is inmiddels járen later. Het tweede van het tweeledige was dat een groep jongeren waartoe ik behoorde, besloten hadden om Klei voor ons karretje te spannen. Ons doel: het bestaan van het verenigingsorgaan UCEA (afkorting van Ubi Caritas et Amor) van het Christelijk Homo Jongeren Contact (CHJC) onder de aandacht van de wereld te brengen. Ik was in die jaren de eindredacteur van dit maandblad. Klei wist er - als altijd - weer een werkelijk schitterend en puntig verhaal van te maken. Hij opende met te melden dat het lettertype niet aangepast was aan zijn gezichtsvermogen. En vervolgde dat hij het 'roomsche liedje' wel kende' en schreef vervolgens een royale aanbeveling. Ergens in de tweede helft van de tachtiger jaren moet dat zijn geweest. We waren zelfs nog zo tactisch bezig dat we redactielid Bert van der Linden lieten ondertekenen, want die was Gereformeerd. Synodaal. Uit een onverdacht Overijssels (Salland's) dorp als het gaat om de 'rechte gereformeerde leer'. Kortom, missie geslaagd. En vanaf dat moment was het CHJC gekend door de redactie van Trouw. (Later leverde me dat dan ook tweemaal een hoofdrol op, in de kolommen van de kerkelijke pagina.)

Mijn 'gevoelsverbintenis' met Klei ligt óók in zijn regelmatig terugkerende mededelingen dat hij zijn harmonium bespeelde. In een telefoongesprek vertrouwde hij me ooit toe dat ie Duits exemplaar had, van rond 1920. Het merk ben ik vergeten. Maar er zat een doorlopende harp op, zoals dat vroeger genoemd werd.

Enkele maanden geleden heb ik zijn uitgever benaderd, meermalen benaderd zelfs, om toesteming te vragen om één van zijn columns te mogen publiceren. Het was blijkbaar ernstig druk bij de uitgever. Niet eens antwoord, ook niet na een vierde verzoek. Dus mij rest - als eerbetoon aan Bert Klei - slechts het hier integraal publiceren van één zo'n column, waarin het harmonium zo'n prominente rol speelt. Dan had de uitgever maar moeten reageren. (Zelfs op de melding dat deze pagina bestaat, komt geen reactie).

En om u helemaal in de sfeer te brengen, kunt u vóór u begint met lezen, éérst dit muziekstuk starten: 'Scheepken onder Jezus hoede' op harmonium gespeeld door Dick Sanderman.... U kunt op uw gemak lezen, de muziek duurt 6 minuten....

Start de muziek ( er opent een nieuw venster dat u vervolgens kunt minimaliseren om rustig te kunnen lezen)

 

Bij ’t licht van de lantaarn

A.J. Klei

Voor mij ligt een lange brief van een lezeres, die een ganse jaargang van mijn stukjes doorneemt. Ze meldt me nauwgezet waarvan ze heeft genoten en waar ze niets aan vond. Tussentinten kent ze niet. Verder behelst de brief de vraag, of ik ooit nog met de Dordtse dominee Wilschut naar Urk ben geweest. 'Ik vermoed van niet’ schrijft mijn afneemster, 'anders had ik er wel iets over gelezen, maar u kunt me op dit punt volledige zekerheid verschaffen.'

Daartoe zal ik overgaan, maar eerst moet ik voor degenen die zich minder grondig in mijn schrijfsels verdiepen dan mijn correspondente, de geschiedenis even ophalen. Vorig jaar liet dominee J. Wilschut in de Dordtse gereformeerde kerkbode weten, dat hij dolgraag eens op Urk zou preken. Daarop gaf ik in deze hoek lucht aan mijn verlangen, hem als organist te mogen vergezellen om eens lekker ouderwets de psalmen op hele noten te kunnen spelen.

Welnu, dominee Wilschut heeft een uitnodiging uit Urk gekregen en daaraan ook gevolg gegeven. Ik heb echter niets uit Urk vernomen. Dat deed pijn, maar 'k heb het inmiddels, dank zij de liefdevolle aandacht van mijn omgeving, kunnen verwerken.
Nu wil dominee Wilschut wéér wat. Opnieuw werpt hij in zijn rubriek in de Dordtse kerkbode een visje uit. Het gaat hem ditmaal niet om een preekverzoek uit een behoudende gemeente, nee, hij wil bij mensen over de vloer komen die nog een harmonium hebben staan: ' ... een telefoontje en ik kom een paar nummertjes bij u spelen.'

Alvorens zijn begeren kenbaar te maken, biedt dominee Wilschut een levendige, om niet te zeggen: beeldende beschrijving van het muziekinstrument in kwestie. Ook brengt hij ons ervan op de hoogte hoeveel genoegen zijn bekwaamheid in het harmoniumspel hem bij het pastoraat bood: 'Overal waar ik bij mijn bezoeken aan huis een harmonium ontdekte, hoefde men verder van mij geen preek meer te verwachten, ik begon te trappen en gaf enige nummertjes geestelijke liederen weg.  Tot verpozing ende vermaak en (soms) tot vertroosting.'

Evenals dominee Wilschut heb ik ook veel plezier beleefd van mijn vaardigheid op het harmonium. Wanneer ik in de oorlog langs bevriende boeren trok om te proberen enige zuivelprodukten van hen los te weken, liet ik mijn bede om een kluit boter of een stuk kaas altijd vergezeld gaan van de vraag: Mag ik er even op spelen ... ? met een knik in de richting van het altijd wel aanwezige harmonium. Gretig gingen ze op mijn aanbod in.
Om geluid uit een harmonium te krijgen, moet je met je voeten twee onderaan het instrument bevestigde 'trappers' bedienen. Ik trapte als een bezetene en weldra dreunden de wanden van de boerderij door het luid en in marstempo voorgedragen lied: Als op 's levenszee de stormwind om u loeit. .. , met als refrein de oproep, waaraan ik hoopte op de terugweg gevolg te kunnen geven:
Tel uw zegeningen, tel ze een voor een! Hiermee opende ik harten en handen.

Een in het oog lopend verschil in het optreden van de eerwaarde heer Wilschut en van mij als niet-eerwaarde lyceïst, is dat hij al spelend (soms) geestelijk voedsel schonk, terwijl ik met mijn spel uit was op de spijze die vergaat.
Nooit heeft het harmonium me verlaten en in mijn werkkamer bevindt zich een uit het begin van deze eeuw stammend exemplaar. Of ik nu dominee Wilschut opbel om te komen spelen? Nee, dat wil zeggen, hij mag best eens langs komen, maar spelen hoeft hij niet, dat doe ik zelf. En mijn vrouw vindt het heel mooi.
Vaak zitten we aan 't eind van de avond nog wat te praten in mijn werkkamer. We doen dan geen lamp aan en vergenoegen ons met het schijnsel van de voor ons huis staande straatlantaarn.
Speel je nog wat?, vraagt mijn vrouw als er een stilte valt. Ik kruip achter mijn speeltuig en geef een potpourri van vrome versjes weg.

Tot verpozing ende vermaak en (soms) tot vertroosting.

 

Terug naar boven

 
bericht