Menubalk

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

update: 23-11-2011

Terug naar Literatuur

Harmonium in de Letterkunde

 

A.J. (Bert) Klei

Maarten 't Hart: Handel

 

 

Zingen bij het harmonium

"Dat appelleert aan de geborgenheid van vroeger: samen in de kerk zitten en lekker zingen. Als kind vond ik dat heerlijk. De liederen van Johannes de Heer roepen datzelfde gevoel bij me op. ‘Grijp toch de kansen door God u gegeven…’ Al lopend door de straten van Maassluis kon ik die liederen van huis tot huis gewoon meezingen, want in al die gereformeerde huiskamers zongen ze ’s avonds hetzelfde bij het harmonium. Net zoals je nu overal dezelfde voetbalwedstrijd ziet aanstaan."

bron: NCRV gids

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Handel

Cover Vrome volk 1974  

uit: Maarten 't Hart, "Het vrome volk"
pag. 34-54; Amsterdam, Arbeiderspers 1974
isbn 90 295 1873 1 (Grote ABC, 1980, 8e druk)
© Maarten 't Hart 1974

Het is niet toegestaan de inhoud van deze pagina te vermenigvulden of te verspreiden zonder toestemming van de rechthebbenden (Arbeiderspers/Maarten 't Hart).

 

-----Oorspronkelijk bericht-----
Van: Loek Hermans [mailto:l.hermans@xxxxxxxxx.nl]
Verzonden: Monday 3 November 2008 11:04
Aan: redactie@harmoniumnet.nl
Onderwerp: FW: Verzoek tot overname

Beste Frans van der Grijn,

Maarten 't Hart heeft geen bezwaar tegen dit gebruik.

Met vriendelijke groet,

Loek Hermans

 

Aan het einde van dit korte verhaal treft u enkele gedachten en inhoudelijke toelichtingen.
Het door de schrijver geschilderde historische tijdsbeeld is in menig opzicht nauwkeurig te noemen, al lijken er enkele historische feiten aan elkaar geknoopt te zijn, die niet helemaal in het beeld van de jeugdige hoofdpersoon passen.

Ten aanzien van de kennis over het harmonium zijn echter de nodige
kanttekeningen zeker op hun plaats. In bescheidenheid geplaatst, zodat ook de grote letterkundige(n) meer kennis op kunnen doen.

Ook aan het einde treft u een verwijzing naar een scriptie met als titel:

"Uit diepten van ellenden"
Een onderzoek naar de representatie van het calvinisme in enkele werken van Maarten ’t Hart ( A. van Zanten, Utrecht).

Het hoofdstuk over dit korte verhaal kunt u desgewenst downloaden.

 

 

Zonder gerucht verschijnt hij in de kamer waar mijn moeder en ik aan de ontbijttafel zitten. Hij moet door de keukendeur zijn binnengekomen, we hebben hem niet kunnen zien omdat de overgordijnen nog gesloten zijn.
'Wat laat je me schrikken, Adriaan,' zegt mijn moeder.
Ik kijk naar mijn oom. Zijn linkeroog heeft een zwarte iris zodat het lijkt of er alleen maar pupil is, zijn rechteroog is lichtbruin met groene vlekjes. Zodra je in die ogen kijkt ga je stotteren als je iets tegen hem wilt zeggen.
'Heb je vrij, vakantie?' vraagt hij me.
'Ja,' zeg ik.
'Kom je vandaag bij me werken?'
'Graag,' zeg ik.
'Adriaan,' zegt mijn moeder smekend, 'het is vandaag zijn eerste vakantiedag, je misbruikt hem.'
'Hij wil het zelf, hij wil graag bij me werken, je hebt het gehoord.'
'Ja maar,' zegt mijn moeder.
'Basta, afgesproken, ik zie je over een half uur,' zegt oom Adriaan.
Twintig minuten later wandel ik door de Damstraat naar het huis van mijn oom. Aan de kozijnen van de ramen hangen ijspegels en de waterput op het erf van het huis van oom Adriaan kan niet gebruikt worden. De put staat midden op het erf, tussen de drie schuren van het bedrijf van oom Adriaan. Aan de straatzijde staat een van de schuren en het woonhuis. In die schuur heeft oom Adriaan glazen deuren laten aanbrengen. Boven de deuren hangt een bord waarop met zwarte letters staat:

TOONZAAL VAN A. KAPEL

In de toonzaal bevinden zich de gerepareerde en van nieuwe houten kasten voorziene harmoniums. Aan de andere zijde van het erf zijn twee zwart geteerde houten schuren, die naast elkaar zijn gebouwd. Bovendien is er een afdak naast één van de schuren. Eén van de schuren is de werkplaats van oom Adriaan, er is een doorgeefluik naar de ruimte onder het afdak waar het hout van de kasten van gesloopte harmoniums wordt bewaard. In de andere schuur staan de ingekochte maar nog niet van nieuwe kasten voorziene harmoniums. In de werkplaats van oom Adriaan is ook nog een opklapbare biljarttafel voor als de zaken slecht gaan maar dat is tot nu toe nog nooit het geval geweest in de orgelhandel. Alleen op zaterdagmiddag wordt de biljarttafel uitgeklapt en spelen oom Adriaan en zijn zoons een complete competitie.

Nadat ik naar het ijs in de waterput gekeken heb ga ik naar de toonzaal. Oom Adriaan is nog in huis, ik kan nog even op de vliering gaan kijken. Via een wankele ladder in de zaal klim ik omhoog naar de vliering. In het kille schemerduister ontstaat enige beweging.
'Dag vleermuizen,' zeg ik, om me zelf gerust te stellen. Ik loop voorzichtig over de donkere vliering. Tussen de balken fladdert een opgeschrikte vleermuis. Ik open het kleine dakraam. Nu is er licht. Ik blader in de stapels bladmuziek. Het stof doet me onophoudelijk hoesten. Elke plank van de vliering is bedekt met stapels oude bladmuziek, afkomstig uit alle door oom Adriaan opgekochte harmoniums. In een hoek liggen twintig exemplaren van de Psalmen door J. Worp. Links en rechts zijn door muizen aangeknaagde harmoniumalbums, zware rode boeken waarin altijd uittreksels staan uit opera's van Wagner. Ik mag ze niet spelen. Zoals altijd zoek ik tussen de bladmuziek, er zijn veel nieuwe boeken. Ik houd een boekje bij het dakraam, het is de Slag bij Waterloo, voor harmonium bewerkt door H. Scharpee. Met het blauwe boekje verlaat ik de vliering. In de toonzaal ga ik achter één van de harmoniums zitten. Het werk begint met een nabootsing van tromgeroffel maar voordat ik dat kan spelen roept oom Adriaan: 'Ben je er al? We gaan.'
Hij opent de deur van de toonzaal. Hij wijst op de bakfiets die buiten op het erf staat. Ik ga in de bak zitten, ik bIaas op mijn handen, het is koud. Oom Adriaan duwt de bakfiets over het erf tot op de straat. Hij springt in het zadel en we rijden in het heldere, winterse weer naar het dorp Maasland. Rechts van de weg is het met een dun laagje ijs bedekte water van de vlieten. Boven het eiland in de vlieten cirkelen bonte kraaien. Tussen het bruine, ritselende riet lopen eenden. Als ik naar de vogels kijk verschijnt in mijn ooghoeken het beeld van de schuin op mij afkomende straatstenen, die dadelijk ordelijk stil­staan als ik recht voor mij uitkijk. Voortdurend probeer ik uit hoe ik de stenen kan laten bewegen. Als ik aandachtig de bonte kraaien volg die nu boven de Wippersmolen cirkelen, kan ik de mooiste beweging van de stenen krijgen. Maar bij een bocht in de weg kan ik de kraaien niet meer zien en dan is opeens ook het bewegen van de stenen niet langer mogelijk. We rijden langs hoge bruggen; bij één van de bruggen staan we stil. Oom Adriaan beduidt me dat ik moet afspringen. Samen duwen we de bakfiets over de hoge brug tot bij een witgekalkt arbeidershuisje met zware vitrage. We gaan over het koolaspad langs het water tot aan de achterdeur van het huisje.

Oom Adriaan opent de keukendeur en roept luid: 'Volk.'
'Ja, ja, hier ben ik, ik kom eraan, ik zag jullie wel komen, ik wilde de voordeur gaan openen. Wist ik, dat jullie achterom zouden komen.'
De harde, toonloze stem van de vrouw is uitgesproken voor we haar in de keuken zien.
'Kom binnen' zegt ze.
'Mogge,' zegt oom Adriaan, 'waar staat hij?'
'Wie hij?'
'Het orgel'
'In de beste kamer, Kapel, links. Wacht, ik ga jullie voor.'
Het kleurloze piekhaar van de vrouw beweegt niet als ze voor ons uit gaat, stram lopend. Ze spreekt nog altijd.
'We moeten hem wegdoen, we hebben geen ruimte meer. Volgende week komt er een nieuwe kast, voor mijn zoon, begrijp je. Hij wordt ook ouder, hij wil wel eens een eigen plekje hebben voor zijn spullen.'
'Is dat alles?' vraagt oom Adriaan, wijzend naar het kleine harmonium met de glanzend bruine mahoniehouten kast dat dicht bij het raam van de woonkamer staat.
'Het is een mooi orgel, Kapel, een heel mooi orgel.'
'Basta. Neef, speel eens.'
Ik ga naar het harmonium, slingerend tussen tafels en stoelen door, ik heb nog nooit zoveel meubels bij elkaar gezien. De starre onbeweeglijkheid van al die meubels maakt me om een of andere reden bang, ze zouden iets moeten bewegen, dan zou het minder beangstigend zijn. Ik schuif de klep van het harmonium op. Er ligt een groene lap op de toetsen. Met gouden letters is op de lap geborduurd: Looft hem met harp en citer, psalm 150:3b. Oom Adriaan die inmiddels met hinkstapsprong naderbij is gekomen, werpt de lap in een stoel.Eén ogenblik beweegt de lap als een levend dier, ik adem diep. Ik ga zitten, ik probeer de blaasbalg vol te pompen.
'Eén trapper lam,' zegt oom Adriaan.
'Dat geeft niet,' zegt de vrouw, 'met één trapper krijg je genoeg lucht.'
'Hoeveel spel is hij?' vraagt oom Adriaan.
'Spel, wat bedoel je? Lucht, zei ik,' zegt de vrouw.
'Ja, spel, één-driekwart? Twee-één-achtste? Driespel?
Nee, zal wel ééneneenkwart zijn, het is een klein orgel, merk Hildebrandt, meestal slechte kwaliteit, hebben doorgaans houtwurm. Speel eens, neef.'

Ik speel. Ik begin met een paar dromerige akkoorden waarvoor ik het register Vox Celeste gebruik.
'Mooi,' zegt de vrouw, 'fijne klank.'
'Vox Celeste alleen diskant,' zegt oom Adriaan, 'half register, ik zie het al, het is één-twee-achtste spel.'
Met de registers Bourdon, Woudfluit, Diaspason en Vox Humane kan ik, wild trappend met één been, het harmonium helemaal uitproberen. Het geluid blijft ijl en neuzelig. Door de kniezwellen in te drukken maak ik het geluid valser en scherper. Zo zijn harmoniums gebouwd.
'Prachtige muziek,' zegt de vrouw, 'die neef van je kan spelen. Wat speelt hij als ik vragen mag?'
'De houtwurmmars,' zegt oom Adriaan, 'stop maar, ik weet genoeg, het tongwerk is versleten, de kniezwel links werkt niet goed, de blaasbalg is op. De wind blaast waar­heen hij wil.'
Ik houd het slotakkoord lang aan. De muziek is onbeweeglijk, evenals de voorwerpen in de kleine kamer. Alleen op de blauwe borden die boven op de kasten staan is beweging omdat er schaduw op valt van bewegende takken van de bomen die voor het huis staan.
'Houd op,' zegt oom Adriaan.
Hij duwt het harmonium, waaronder kleine wieltjes zijn aangebracht, iets opzij zodat hij de achterkant kan bekijken.
‘Ik dacht het al,' zegt hij zuchtend, 'houtwurm.'
Nu staat hij stil in de kamer, zijn beide ogen gericht op de vrouw, ze kijkt terug maar ze kan het niet volhouden.
'Hier kan ik niets meer mee doen,' zegt oom Adriaan, 'dit orgel is veel te klein, het binnenwerk is totaal versleten en dan ook nog houtwurm. Kijk, neef, hier overal gaatjes, zie je wel.'
'Ja,' zeg ik.
De vrouw staart nog altijd zwijgend naar het harmonium. Ook wij zwijgen. De zon schijnt op de gouden letters van de stoflap. Ik kan alleen het woord 'Looft' zien. De zon schijnt ook op het behang op de plaats waar het harmonium heeft gestaan, het behang is daar witter dan elders in de kamer, er is ook wat spinrag op de vloer. De vrouw bukt zich en veegt met haar handen over de vloer, ze loopt voorzichtig naar het harmonium, nog altijd gebukt, er zijn diepe rimpels boven de ogen. Ze gaat rechtop staan.
'Hoeveel is hij waard, Kapel?'
'Voor vijftig gulden neem ik hem mee,' zegt mijn oom.
'Vijftig gulden? Voor een goed orgel? Voor de oorlog kostte hij al vijftig gulden en tegenwoordig is alles tien keer zo duur.'
'Ja,' zegt oom Adriaan kortaf, 'vijftig gulden toe, dan neem ik hem mee.'
'Toe? Wat toe?'
'Ik bedoel: als je mij vijftig gulden geeft wil ik dit kreng wel wegslepen.'       
'Ik begrijp je niet, Kapel, ik moet jou vijftig gulden geven? Maar dat is...'
‘Denk je nou echt dat ik hier iets mee kan doen? Als ik ermee thuiskom moet ik dit vod direct in een aparte schuur plaatsen, alles wordt aangetast, wat zeg ik, besmet met houtwurm. Kieper het ding hier in de vliet. Het is brandhout, geloof me. Ik kan er geen klant voor vinden. Wees blij dat ik hem voor vijftig gulden wil wegslepen.'
'Nee, maar, ja, je bedoelt: ik geef jou... nee, dat kan niet, jij wilt mij vijftig gulden geven. Vooruit, ik verkoop hem voor vijftig gulden, mijn man zei: niet minder dan honderd, maar hij moet weg en mijn man wist niet van die paar houtwurmen.'
'Paar? Een regiment, een leger, duizenden van die beesten. Als ik dit orgel op mijn bakfiets laad kom ik niet eens thuis, voor we bij de veiling zijn is de laadbak totaal opgevreten. En ik jou vijftig gulden geven, nee, nee, voor vijftig gulden toe neem ik hem mee, nou vooruit, ik zal het goed met je maken, vijfentwintig gulden. Voor minder kan ik het niet doen. Ik besteel mijn vrouw en kinderen, ik moet mijn personeel betalen, hier mijn neef.'
'Vijfentwintig gulden? Ik begrijp je niet, Kapel, dat is toch de omgekeerde wereld. Jij moet mij betalen.'
'Basta. Neef, we gaan, dit is zonde van onze tijd.'
'Nee, nee, blijf nou, het harmonium moet weg, toe Adriaan, we hebben vroeger toch nog kennis aan elkaar gehad.'
'Goed, voor twintig gulden toe neem ik hem mee, dan verlies ik er zwaar op. Twee man zijn een hele morgen bezig om een harmonium weg te slepen, reken dat eens om in arbeidsloon, Truus. En als ik thuiskom moet ik hem als de bliksem insmeren met houtwurmzalf, dat kost ook geld en alles is verrot, het binnenwerk is totaal vergaan, de blaasbalg is lek, de trapper is lam, ga zo maar door.'
'Ja, ik weet het niet,' zegt de vrouw, 'maar geld toegeven... ja, dan kan mijn man hem wel in elkaar hakken voor brandhout.'
'Natuurlijk,' zegt oom Adriaan, 'doe dat. Ben je met ere van dit kreng af, dit is geen muziekinstrument, dit is een houtwurmkwekerij, al je meubels zijn vast en zeker ook aangetast, laat me eens achter die kast kijken.'
Oom Adriaan schuift een hoge ladenkast opzij. 'Hier, wat ik je al zei.'
Hij wijst op een paar kleine gaatjes in het hout.
'Binnen een jaar zijn al je meubels verpulverd. Je hebt zoveel meubels, voor een houtwurm is het hier een leven als voor een apostel in de hemel, ze likken hun bek af, maar tot ziens, kom mee neef.'
'Nee, nee, Adriaan, neem hem mee voor een tientje.'
'Ik heb hier wat houtwurmzalf,' zegt oom Adriaan, een klein potje opdiepend uit een van zijn broekzakken, 'en ik zal je dit geven, het is peperduur, maar goed, omdat ik je nog van vroeger ken, je smeert al je meubels in en ze sterven allemaal, goed? Ruilen voor dit aftandse muziekinstrument?'
'Ja,' zegt de vrouw.
We schuiven de meubels opzij. We maken een pad naar de voordeur: We dragen het harmonium over het koolaspad naar de bakfiets. Ik ga nu op de bagagedrager zitten. We rijden weg. De vrouw staat op het koolaspad, het hoofd enigszins scheef houdend, star, en bewegingloos als de meubels in haar huis. Ik ben blij dat wij bewegen.
'Het is een aardig instrument,' zegt oom Adriaan, 'met een nieuwe kast eromheen kan ik er zeker driehonderd gulden voor maken.'
'En die houtwurm?' vraag ik.
'We slopen hem dadelijk als we thuis zijn, we brengen het hout meteen naar de waterstoker.'

Als we de bakfiets het erf opduwen zien we een man van middelbare leeftijd. Hij praat met de vrouw van oom Adriaan, tante Mijnt je.
'Een klant, Adriaan,' zegt ze.
‘Aangenaam,' zegt mijn oom.
'Mijn naam is Brands,' zegt de man, 'ik kom hier als vertegenwoordiger van de kerkeraad van de gereformeerde kerk vrijgemaakt buiten verband; misschien, Kapel, weet u iets van de scheuring in onze kerken.'
'Ik heb erover in de krant gelezen,' zegt oom Adriaan. 'Om kort te gaan,' zegt Brands, 'we gaan kerken in het gebouw van de Nederlandse Protestantenbond en daar is alleen maar een piano. We mogen er een harmonium plaatsen. Hebt u iets goeds voor ons?'
'Momenteel zit ik krap,' zegt oom Adriaan, 'ik heb wat kleiner goed, een enkele tweespel, één driespel en die zijn te klein voor een volle kerk. Nou ja, misschien zou die Miller wel wat zijn, dat is een puikbest Amerikaans orgel, drie-drievijfde spel, met nog een aardige kast. Komt u mee.'
We lopen naar de toonzaal. De Miller staat dicht bij het raam.
'Neef, laat eens wat horen.'
Ik speel een psalm, de heer Brands knikt.
'Een mooi geluid,' zegt hij.
'Toch te klein, denk ik, voor de zaal van de Protestantenbond. Maar ik heb niets anders. Gisteren nog verkocht ik een Mannborg, een schitterend orgel, een klank om te zoenen, maar ja... weg.’
'Adriaan, Adriaan, telefoon,' roept tante Mijnt je op het erf.
'Neef, laat mijnheer Brands het hele orgel horen, ik ben zo terug.'       .
Terwijl ik speel loopt mijnheer Brands onrustig tussen de harmoniums. Hij staat stil bij het raam, hij kijkt naar buiten, hij wandelt opnieuw in de donkere toonzaal, de handen in de zakken van zijn overjas, zijn grijze haar is strak over zijn hoofd gekamd. Plotseling zegt hij: 'We krijgen sneeuw.'
De mededeling komt zo onverwachts dat ik ophoud met spelen en verbaasd kijk naar zijn strenge ogen achter de brilleglazen.
'Hoe weet u dat?' vraag ik.
'Kijk naar de lucht,' zegt hij, 'het trekt dicht, zonet was het nog zonnig, nu niet meer.'
Oom Adriaan komt binnen, hij hijgt.
'Mijnheer Brands, dat waren de mensen van het harmonium van gisteren, waarover ik u net vertelde, hij is toch te groot, de buren klagen, ze willen hem ruilen voor die Miller. Misschien zou die Mannborg iets voor u zijn. Wat denkt u? Vanavond staat hij hier. Hebt u dan even de tijd om te komen?'
'U denkt dat het beter is dan die Miller? En de prijs?'
'Zeker beter, veel beter, en niet zoveel duurder, hij moet... nee, praten we vanavond over als de Mannborg hier weer staat, u moet hem eerst zien, ik zie u vanavond, zo tegen vijf uur?'
'Goed, Kapel, tot vanavond.'

Als de man de toonzaal heeft verlaten zegt oom Adriaan: 'Eerst even die Hildebrandt slopen.'
We laden het harmonium af. Snel en vakkundig schroeft oom Adriaan planken los van het instrument. Ik leg het houtwerk, de kap, de zijbeuken, en de muziekstandaard op de bakfiets. Het binnenwerk, de blaasbalg en de register kast dragen we naar de opslagplaats.
'En nu eerst koffie,' zegt oom Adriaan, 'ik ben blij dat jij er bent, neef, het wordt een drukke dag, dat telefoontje zonet was van een vrouw uit de Cronjéstraat, ze hebben tweeklaviers Mannborg, precies wat we nodig hebben voor die Brands.'
Maar is dat dan...?' vraag ik en voor ik uitgesproken ben zegt hij: 'Nee, niet die andere Mannborg, dat heb ik verzonnen, dat kwam goed van pas, ik ken die Brands, ik heb vroeger ook zaken met hem gedaan, bij de vorige scheuring in hun kerk kwam hij ook voor een harmonium, toen was er ook net een particulier die mij een harmonium wilde verkopen, hij ging mee en hij kocht direct van die particulier, waar blijf je dan als tussenhandel? Maar misschien is deze tweeklaviers wel rot, hoewel een Mannborg... Alleen de Esty is nog beter. Hier en daar een reparatie, een beetje fineer, een tikkeltje moderniseren en we zijn klaar. Misschien nog een streepje vernis, nieuwe plaatjes op de registerknoppen, de riemen van de trappers wat bijstellen en wie weet... kom, wat eten, het wordt druk.'

Na het eten rijden we opnieuw met de bakfiets door de straten. Mijn handen tintelen, ik moet het oude hout vasthouden terwijl ik op het spatbord zit van één van de wielen van de bakfiets. Ik heb geen handschoenen, de lucht is koud en droog, de zon is weg. De waterstokerij van Pieterse is niet ver van de toonzaal; voor ik echt kramp heb in mijn handen en voeten sta ik al naast de reusachtige ketel in de naar petroleum, wasmiddelen en hars geurende ruimte. Ik warm mijn handen bij de ketel. Een aantal malen komen vrouwen binnen met twee emmers. Ze, worden telkens gevuld door Pieterse, de ruimte is wit van stoom, het is bijna een mistbank binnenshuis, het is warm maar vochtig.
'Heb je hout,' vraagt Pieterse aan oom Adriaan.
'Ja,' zegt mijn oom.
'Mooi zo, ik ben aardig door je vorige kasten heen, leg het maar naast de petroleumtank, hoeveel moet het me kosten?'
'Het is niet zoveel, voor een daalder ben je spekkoopman.'
'Recht zo die gaat, het is mooi hout, wat zou ik zonder jou moeten beginnen?'
'Er zijn briketten, cokes, antraciet, ach man, brandstof genoeg.'
'Is zo duur, het valt me toch al niet mee om het hoofd boven water te houden, ze hebben tegenwoordig geisers, ik hoorde laatst ook over wasmachines waarin het water elektrisch verwarmd wordt, ze drukken je dood met die vindingen, het is niks meer. Maar zo'n oud orgel wil nog wel eens goed branden, nou ja, over drie jaar heb ik mijn AOW, tot zo lang zing ik het nog wel uit. Trouwens bij jou is het net zo, niet waar, die elektronische jammerkasten van tegenwoordig.',
Tijdens zijn rede hebben wij het hout afgeladen.
'De groeten,' zegt oom Adriaan.

We gaan. We duwen de bakfiets omhoog tegen de wedde. We rijden langs de haven. Onder de grijze lucht dwalen meeuwen doelloos rond boven het water. Voorbij de spoorbomen zien we ze niet meer, we slaan linksaf en rijden langs hoge arbeidershuizen. In de Cronjéstraat plaatsen we de bakfiets op de stoep voor het huis van de Mannborg-bezitters. Ook in deze straat zijn hoge huizen, panden die verdeeld zijn in een boven- en een benedenhuis.
'Zal je, goddomme, zien dat ze in een bovenhuis wonen,' zegt oom Adriaan, 'dan kan je die Mannborg over een trap omlaag slepen, dat wordt moeilijk met twee man, ja, waarachtig het is een bovenhuis, nou zijn we gesjochten.'
Dadelijk na ons aanbellen zwaait de voordeur open, bediend door een onzichtbare hand en een touw. We zien een ruim portaal dat overgaat in een trap die met een kwart draai omhoog stijgt.
'Wie daar?' roept een onzichtbare vrouw.
'Kapel,' roept mijn oom.
De vrouw daalt omlaag, we zien twee dikke benen, een rand van een blauwe jurk waarboven een morsig schort zichtbaar wordt, alles bijna zo breed als het trappenhuis. De jurk en het schort dalen schoksgewijs omlaag. Op de linkerboezem is een reusachtige broche gespeld. Dan verschijnt het gezicht, een hoofd omlijst door kleurige krulspelden die op hun plaats gehouden worden door een doek.
'Kom boven,' zegt de vrouw zacht en hees.
Ze gaat weer omhoog, ze kan niet draaien in het trappenhuis, ze verdwijnt zoals ze gekomen is, ik wil haar volgen maar oom Adriaan zegt: 'Wacht even, als ze valt ben je verloren.' Fluisterend voegt hij eraan toe: 'Goed dat ze een broche draagt, anders zou je niet eens weten wat de voorkant is, kom omhoog.'
We klimmen. We volgen de brede vrouw naar een donkere achterkamer. Door de ramen kun je tussen de huizen door de grauwe schuimkoppen zien op het water van het Scheur. Ook de zwaargebouwde man die in een stoel bij het raam zit, kijkt naar buiten. Hij volgt een donkere vrachtboot met zijn ogen. In het schemerduister van de kamer zijn nog juist de op zijn ontblote armen getatoeëerde ankers te zien.
'Gaat u zitten,' zegt de vrouw. 'Koffie?' 'Dat sla ik niet af,' zegt mijn oom.
'Jij ook koffie?' vraagt de zeeman aan mij. 'Het is beter van niet, je krijgt rood haar van koffie. Daar staat het meubel, Kapel, het is nog van mijn vader zaliger, het moet de deur uit, we krijgen gezinsuitbreiding, het is net een goede plek voor een wieg, en we spelen nooit, nooit, ik heb altijd gevaren, ik had geen tijd om te spelen, ik ben nu ongeschikt verklaard voor de koopvaardij, ik zal nooit meer varen, nooit meer, 's avonds in bed lig ik te luisteren naar het joelen van de wind over het water, het grijpt me bij de keel, enfin, mijn vader speelde liederen van Johannes de Heer op zondagavond, en wij zongen, mijn vrouw speelt ook niet, haar vingers zijn wat breed, voor beiaardierster zou ze geknipt zijn, ja, nooit meer varen. Stel je eens voor, ik zit hier de hele dag bij het raam en kijk naar het water, ik zou...'

'Basta,' zegt mijn oom, 'mag mijn neef eens even het instrument proberen?'
'Met alle soorten van genoegen, natuurlijk jongen, ga jij je gang maar, wij luisteren.'
Het tweeklaviers harmonium brengt zoveel geluid voort dat ik gemakkelijk het niet aflatende spreken van de zeeman kan overstemmen. Terwijl ik speel kan ik uitkijken over het water, er zijn nu veel schepen. Ik speel 'Ik wens te zijn als Jezus'.
'Ken je ook het lied van die ruwe stormen,' vraagt de zeeman als ik even ophoud, 'dat heb ik altijd gezongen op zee, ik zal de zee niet meer zien, ruwe stormen mogen woeden, alles om mij heen is nacht. Speel dat, nee, nee, wacht even, ik moet me een ogenblik afzonderen.'
Als hij de kamer verlaten heeft zegt mijn oom: 'Een prachtig instrument, moet je zien, subbas zestien voet, doorlopende harp, vijf-zeven-achtste spel op het boven­klavier, tien spel op het onderklavier, verder alles nog puntgaaf en geen houtwurm, meestal niet trouwens bij die Mannborgs, eerste kwaliteit hout. Maar neef, we moeten de prijs zo laag mogelijk zien te houden, speel flink wat van die stormen en zo, weet je nog meer van die liederen over de zee en God?'
‘Scheepje onder Jezus' hoede" en "Als g' in nood gezeten",' zeg ik.
'Ja, ja, ken ik ook, ik zal erbij zingen, dat drukt de prijs onmiddellijk. '

Zo speel ik na de terugkeer van de zeeman over ruwe stormen en schepen onder Jezus' hoede, over veilige havens en levenszeeën waarop de stormwind woedt en niet alleen oom Adriaan en de zeeman zingen maar ook de inmiddels met koffie teruggekeerde vrouw van de zeeman. Ze zingt vreemd plechtig, de handen gevouwen in haar schoot, ik wend mijn ogen af, ik kijk naar de golven van het Scheur, er is een roestig bruin schip dat met wapperende vlaggen voorbij gaat. Bij het refrein 'Tel uw zegeningen, tel ze één voor één', zie ik dat oom Adriaan met een witte zakdoek in zijn ogen wrijft. Ook de ogen van de zeeman zijn vochtig.
'Nu nog over die kansen,' zegt hij, 'dat zong mijn moeder altijd.'
'Welke kansen?' vraag ik.
'De kansen die je grijpen moet, hoe is het ook weer, vrouw, weet jij het niet?'
'Grijp toch de kansen door God u gegeven,' zegt ze.

Ze zingen luidkeels het lied. Na het refrein 'Niets is hier blijvend' zegt oom Adriaan: 'Deze Mannborg is ook niet blijvend, we gaan hem meenemen, wat vraagt u ervoor?'
'Ik heb geen idee wat de waarde is van zo'n harmonium,' zegt de zeeman, 'wat zou zo'n ding nieuw kosten?'
'Weinig,' zegt oom Adriaan, 'de klad zit erin tegenwoordig, de mensen kopen van die elektronische orgels, het is gedaan met de handel, alleen een enkele liefhebber wil nog wel eens... Nou ja, nieuw zou dat harmonium, een tweeklaviers Mannborg, zo ongeveer vierhonderd à vierhonderdvijftig gulden doen, misschien zelfs iets minder, als ze nog te krijgen zouden zijn.'
'Net wat ik dacht, vrouw,' zegt de zeeman, 'dus kan ik een tweehonderd gulden voor dit orgel vragen.'
'Daar kan ik hem niet voor kwijt worden,' zegt mijn oom, 'je moet een liefhebber weten, het gaat eruit, honderd gulden kan ik geven.'
De zeeman staart naar het water. Een sleepboot vaart uit. Drie lange, droefgeestige stoten op de scheepsfluit.
'Dat is weinig,' zegt de zeeman, 'we moeten een wieg kopen, een kinderwagen en een box, we hadden gedacht net genoeg te vangen om dat te kunnen doen.'

'Had dat eerder gezegd, een wieg heb ik voor je en een kinderwagen en een box en dan geef ik je vijftig gulden toe. Alles nog zo goed als nieuw.'
Ik kijk enigszins verbaasd naar mijn oom, zijn laatste kind is achttien jaar geleden geboren, hoe kan hij dan een zo goed als nieuwe wieg hebben? Maar hij kijkt niet naar me en de vrouw zegt: 'Doe maar, man, doe maar.'
'Praat niet, vrouw, weet jij hoe die wieg er uitziet, het kind kan er wel door zakken, honderd gulden en die wieg, kinderwagen en box, Kapel.'
'De koop is gesloten,' zegt mijn oom plechtig.
'Vrouw, een pikketanussie om de koop te bezegelen, en dan dat ding omlaag, hoe doen we dat? Zou hij door de trap omlaag gaan?'
'Ik zal even meten,' zegt oom Adriaan.
Nadat hij zijn duimstok enige malen rondom het harmonium heeft gezwaaid en vervolgens in het trapgat heeft laten afdalen, zegt hij: 'Het zal wel gaan.'

Ze drinken oude jenever, ik krijg limonade, de zeeman vertelt over verre reizen, de vrouw schuifelt rond in de kamer.
'Zou het gaan met twee man en een jongen?' vraagt de zeeman.
'Het is riskant,' zegt mijn oom, 'als hij omlaag dondert zitten we. De buren?'
'Ik haal Tinus van hiernaast, die is sterk als een draailier.
De zeeman gaat, hij keert terug met een ronde man met een hoogrood gezicht en kleine blauwe ogen. De zeeman en hij gaan links en rechts van het harmonium staan en dragen moeiteloos het zware meubel naar het trapgat.
'Tinus achter het orgel, ik voorop met Kapel en de jongen en dan langzaam tree voor tree dat ding omlaag, nee, eerst kantelen, nee, zo niet, voorzichtig, bakboord aanhouden, sodommieters daar gaat de lamp.'
Zacht rinkelend daalt wat glaswerk de trap af. Mijn oom zegt tegen de zeeman: 'Beter dat Tinus en jij samen achter het orgel gaan en wij voorop, het tegenhouden kost zoveel kracht, twee man is niet te weinig.'
'Weet je dat zeker, Kapel.'
'Ja,' zegt mijn oom, 'ik heb dit vaker gedaan.'
Tinus en de zeeman gaan achter het harmonium staan, ik kijk angstig naar het reusachtige gevaarte op de rand van het trapgat.
'Maar oom,' zeg ik, 'als hij omlaag stort.'
'Gebeurt niet,' fluistert oom Adriaan, 'hij blijft klem zitten in het trapgat, dat weet ik zeker, ik heb het gemeten, als het zover is ga ik als de bliksem naar Jaap Schaap en koop ik de wieg en de rest, ik breng ook wat gereedschap mee, we slopen de kast een beetje en dan gaat hij prachtig omlaag en dan is hij beschadigd en dan zeg...'
'Gebeurt er nog wat,' roept de zeeman.
'Ja, we zijn klaar, tree voor tree omlaag en voorzichtig.'         

Het harmonium daalt vijf treden omlaag. Bij de draai in de trap kunnen we met veel moeite het harmonium nog één trede laten dalen. Dan staat het harmonium, schuin gekanteld, tussen het vervaarlijk krakende houtwerk van de leuning en het witte pleister van de muren ingeklemd. Boven ons hoofd wrikken Tinus en de zeeman voorzichtig aan het instrument.
'Het gaat niet,' roept mijn oom.
'Waarom niet?'
'De draaicirkel is te klein.'
'Je hebt toch gemeten, Kapel?'
'Ik heb me verrekend.'
'Godsakkerju, dat ding moet omlaag, Tinus duw nog eens.'
Ze drukken het harmonium met het volle gewicht op een traptrede, het houtwerk kraakt, de trede splijt, het harmonium zakt piepend tussen muur en leuning een paar centimeter omlaag, het blijft dan hangen, onbeweeglijk.
'Hij zit muurvast,' roept mijn oom, 'hij kan niet verder.'
'Terug,' roept de zeeman.
Tinus en de zeeman rukken aan het harmonium. Pleisterwerk raakt los van de muren en valt omlaag.
'Nee, nee, niet doen,' zegt de vrouw.
'Wat dan? Het ding zit klem, het kan niet voor- of achteruit, wat moeten we doen, Kapel?'
'Er zijn drie mogelijkheden,' zegt mijn oom. 'We bikken een stuk uit de muur en we hakken een traptrede weg, dan gaat hij omlaag, of we proberen het instrument te ontmantelen of we laten hem zo hangen. Wat mij betreft: liever een stuk uit de muur dan dat ik knoei aan het instrument, dan blijft het orgel onbeschadigd, anders daalt de waarde, begrijp je.'
'Dat haal je de donder, niks uit de muur, dan maar wat van het instrument.'
'En wie betaalt dat?'
Zwijgen. Dan de stern van Tinus, voor de eerste maal op die middag.
'Ik kan niet naar huis, ik zit hier gevangen.'
'Hoeveel zou de schade zijn, Kapel, als je het hout van het instrument zou moeten losmaken? Kun je dat later dan niet repareren?'
'Dat kan wel maar dat kost ook geld en je krijgt het nooit meer helemaal goed.'
Opnieuw is het stil boven ons, daarna horen we zachte stemmen, de vrouwen de zeeman overleggen met elkaar, ik kan horen wat de vrouw zegt: 'Ze hebben hem met een takel binnengehesen,' en de man zegt luidop: 'Waarom heb je dat niet eerder gezegd? Nu zitten we met de ellende, hoe krijgen we dat kreng ooit weg; Kapel, wat doen we?'
'Laten we de schade delen,' zegt mijn oom, 'ik geef je vijftig gulden voor dit harmonium in plaats van honderd en ook nog die wieg en de rest, we hebben samen een fout gemaakt, ik heb niet goed gemeten, je vrouw heeft niets gezegd over die takel.'
'Goed, Kapel, jofel van je, dus dan maar het instrument beschadigen.'
'Zo je wilt. Ik haal wat gereedschap en die kinderwagen en die box en die wieg, ik ben zo terug.'
Mijn oom vertrekt. Ik ga zitten op de drempel van de voordeur. Soms kijk ik angstig om naar het harmonium in het trapgat. Maar het blijft hangen en ik hoor voortdurend geluid van stemmen, aanzwellend, afnemend en soms plotseling met langdurige stiltes tussen de ruzies en telkens is er een stem met de vraag: 'Is je oom nog niet terug?'
'Nee,' zeg ik zacht.

Omdat buren op straat blijven stilstaan om naar het harmonium te kijken dat in het trapgat zweeft, sluit ik de voordeur. Ik ga op een traptrede zitten in het halfduister, telkens omkijkend naar het onbeweeglijke gevaarte, ik denk na over het zingen maar ik kan het niet goed begrijpen. Waarom gaat de prijs omlaag als je zingt over golven en storm? Waarom wil oom Adriaan zo graag dat ik hem help? Als een kind op het harmonium speelt dat ik wil gaan kopen, scheelt me dat honderden guldens, zegt oom Adriaan altijd.
Op straat hoor ik geluiden. Ik open de deur, mijn oom is teruggekomen, hij laadt een wieg, een box en een kinderwagen van de bakfiets. Met gereedschap beklimt hij de trap.
'Ik ben terug,' roept hij, en de zeeman en Tinus gaan weer achter het harmonium staan en mijn oom verwijdert de muziekstandaard en steekt met een beitel een deel van het houtwerk weg van het harmonium. Nadat hij enige tijd zwijgend heeft gewerkt begint het harmonium plotseling te bewegen. Het instrument daalt nu gemakkelijk trede na trede omlaag, het is spoedig buiten en we leggen het gevieren in de bak. Mijn oom betaalt de zeeman vijftig gulden en geeft hem de wieg, box en kinderwagen. Intussen sta ik naast Tinus, de buurman.
'Je vader is een schurk,' zegt hij zacht tegen mij.
'Het is mijn vader niet, het is mijn oom.'
'Dan is je oom een schurk,' zegt hij.

We gaan. Op de haven zegt oom Adriaan: 'Voor twee tientjes, die hele handel, kinderwagen, box en wieg, bij Jaap Schaap.'
Als we thuis zijn is het al vreemd donker, de lamp in de werkplaats wordt opgestoken en we werken lang en hard. Oom Adriaan herstelt de beschadigde plaatsen, hij vernist het harmonium en ik breng nieuwe plaatjes aan op de registerknoppen. Samen verwijderen we de riemen van de trappers en brengen we nieuwe riemen aan. Nog voordat mijnheer Brands komt zijn we klaar en sneeuwt het buiten. Als Brands om vijf uur de werkplaats betreedt moet ik voorspelen en terwijl ik speel kijk ik naar de vlokken die voorbij de ramen van de schuur omlaag vallen. Het kunstlicht laat ze vreemd opgloeien, ik kan mij bijna niet concentreren op het spelen, zo mooi is het.
'Wat een prachtig instrument, dat is juist wat we zoeken, de koop is gesloten,' zegt Brands.

Nu verlaten we het erf opnieuw, het harmonium onder een dekzeil op de bakfiets. We rijden in de richting van het kleine, witte kerkje van de Protestantenbond, het is niet ver van het huis van oom Adriaan. We laden het harmonium af, plaatsen het in de kerk, we staan daarna in het portaal van de kerk en oom Adriaan en mijnheer Brands praten met gedempte stemmen over de prijs. Ik kijk aandachtig naar de langzaam neerdalende sneeuwvlokken. Het is zo mooi om ze te zien oplichten als ze vlak langs een straatlantaarn omlaag vallen. Heb ik dit nooit eerder gezien? Ik moet het toch vaker gezien hebben. Waarom lijkt het me dan mooier dan vroeger, veel mooier. Ik weet waarom het is. Tinus zei: 'Je oom is een schurk.' Ik heb er nooit over nagedacht maar ik weet dat hij gelijk heeft. In mij is een vreemd verdriet om deze ontdekking dat evenwel de sneeuwvlokken bij een straatlantaarn mooier doet zijn dan anders. Ik kijk maar, ik hoor de zachte stemmen van de beide mannen, van wie er één een schurk is, de gehele dag komt terug, het halen van de Hildebrandt, de manier waarop mijn oom de vrouw het harmonium afhandig heeft gemaakt, en het andere harmonium in het trapgat. Ik hoor hoe Brands en mijn oom het geld tellen, ze tellen tweemaal, mijnheer Brands sluit de deuren van de kerk, oom Adriaan komt naderbij.
'Je hebt me goed geholpen vandaag,' zegt hij.

Ik kijk naar het geld, naar de briefjes van honderd en omdat mijn oom ze één voor één opvouwt kan ik ze tellen. Het zijn veertien briefjes van honderd. Mijn oom ziet dat ik naar het geld kijk, hij glimlacht.
'Zo is het in de handel,' zegt hij, 'de ene dag heb je een strop zonder weerga, de andere dag gaat het je aardig goed, maar je hebt me erg goed geholpen vandaag.'
'Ja?' vraag ik.
'Ja,' zegt hij, 'erg goed, dankjewel.' Zorgvuldig bergt hij alle briefjes van honderd weg, één voor één.

Multatuliprijs en een Letterkundige analyse

Multatuliprijs  

Maarten 't Hart ontving voor deze verhalenbundel de Multatuliprijs.

Albert van Zanten, student Nederlandse taal en letterkunde, schreef een scriptie met als titel: "Uit diepten van ellenden. Een onderzoek naar de representatie van het calvinisme in enkele werken van Maarten ’t Hart" 2005, Universiteit Utrecht). Deze scriptie kunt u downloaden (1,3 Mb) vanaf deze link: Scriptie

Speciaal voor harmoniumnet heb ik het hoofdstuk over het verhaal Handel uit het geheel van de scriptie gelicht en als acrobatbestand op deze site geplaatst.

Download

 

Het astronomisch grote harmonium van Mannborg

"Als hij de kamer verlaten heeft zegt mijn oom: 'Een prachtig instrument, moet je zien, subbas zestien voet, doorlopende harp, vijf-zeven-achtste spel op het boven­klavier, tien spel op het onderklavier" schrijft 't Hart in dit literaire verhaal. Enkele aantekeningen zijn hier gerechtvaardigd.

Vooraf: Het enige instrument van Mannborg dat 15 spel huisvestte, was een pedaal harmonium. Het verhaal laat terdege zien dat het hier niet om een pedaalharmonium gaat. Oom Adriaan Kapel blijkt uit het verhaal al langdurig "in harmoniums te doen". Dus spreekt Oom Adriaan de taal van de kenner.

Hij noemt dan de - op het eerste gezicht - curieuze hoeveelheid spellen op het bovenklavier. Vijf-zeven-achtste. Pedaalharmoniums hebben altijd manualen van 5 octaven. Dan kun je gaan rekenen, maar je komt er gewoon niet uit. De oplossing is makkelijker dan gedacht: Tel de Subbas tongen en een discant stem van een half klavier. Tel dat op en rond het af op een achtste-breuk, 7/8e spel dus.

Belangrijker is dit: Het grootste Mannborg tweeklaviers harmonium zonder pedaal dat bekend is, is een instrument met 9 1/5 spel. Dit instrument is onderzocht en geanalyseerd door collectionneur Wim Olthof. Tot op heden is nog geen catalogus teruggevonden waar dit instrument in staat. Het enige wat ons bekend is, is dat dit instrument destijds functioneerde in de Nederlands Hervormde Kerk van Nederweert-Zuid. Een instrument met 30 registers. (Er bestaat wat onduidelijkheid omtrent de juiste plaats van dit harmonium.)

Gaan we een stuk verder in de geschiedenis, dan zien we een heel groot pedaalharmonium van Mannborg, dat maar tot 15 spel komt, inclusief de pedaalstemmen.

Mannborg dispositie 1929

Mannborg Schwell Orgel

Als extraatje op deze pagina de windvoorziening van dit pedaalharmonium. Elektrische windvoorziening, maar géén windventilator. In plaats daarvan elektrische aandrijving van klassieke schepbalgen en magazijnbalg.

Mannborg Schwell Orgel windvoorziening

 

 

Dit bijzondere instrument zal te zijner tijd een eigen pagina krijgen.

Conclusie:

Ook al is de gebruikte terminologie in het door 't Hart geschreven verhaal correcte terminologie, de conclusie moet zijn dat het harmonium als beschreven niet bestaan heeft. Overigens is er voor de kritische lezer ook het een en ander te vinden voor wat betreft de tijdsaanduidingen.

 

 

 

Naar boven