Menubalk

 

 

 

 

 

 

 

update: 17-07-2009

Met toestemming van Dagblad Trouw en van de auteur overgenomen.

Het copyright van dit artikel berust bij Trouw. Kopiëren, vermenigvuldiging of verspreiden is niet toegestaan.

 

ENGLISH

DEUTSCH

NEDERLANDS

 

 

Terug naar Muziek

 

 

De frivole tegenhanger van de
'cirkelzaag des geloofs'

Christo Lelie

© Trouw 2009, op dit artikel rust copyright.
Amsterdam – 21 november 1996 gepubliceerd in dagblad ‘Trouw’

 

Aan het harmonium kleeft bepaald een calvinistische geur. Is het eigenlijk wel een volwaardig muziekinstrument? De Vlaamse organist Joris Verdin ijvert al jaren voor eerherstel van het harmonium in de muziekpraktijk. Een verhaal over de tegenstelling tussen drukwind en zuigwind. De concerten Den Haag vinden plaats in de Pulchri Studio te Den Haag op de zondagen 24 november (solo harmonium), 9 februari (harmonium en piano), 9 maart (Liszt-programma) en 6 april (kamermuziek), aanvang 11 uur; dezelfde concerten worden in Leiden in de Stadsgehoorzaal gehouden op resp. 1 december, 12 januari, 2 maart en 13 april, aanvang 11.30 uur. Organisatie: Stichting Forte +- Piano, tel. 070-346870. Het Liszt-concert wordt tevens uitgevoerd in de Dorpskerk Spijkenisse op vrijdag 28 februari om 20.15 uur.

Veel Nederlanders van protestantse huize zullen soortgelijke herinneringen aan het harmonium hebben. Door de associatie met de calvinistische opvoeding heeft het een hoog 'Terug naar Oegstgeest'-gehalte. Niet voor niets wordt het wel de 'cirkelzaag des geloofs' genoemd. Een volwaardig muziekinstrument lijkt het niet te zijn, hooguit een nostalgisch meubelstuk, een reliek uit een verleden, waar men al of niet mee heeft afgerekend.

Ondanks dit negatieve imago profileert de Vlaamse organist Joris Verdin zich al vele jaren als een succesvol pleitbezorger voor het harmonium als concert- en kamermuziekinstrument. Zondag begint een concertserie waarin hij het Hollandse publiek zal laten kennismaken met dit verguisde instrument in een wereldse gedaante.

Om na te gaan wat hem bezielt zich in te zetten voor zo'n erfelijk belast instrument, confronteer ik Joris Verdin in een vraaggesprek met het beeld van het harmonium als 'psalmenpomp'. “Voor het harmonium zoals dat aan het begin van deze eeuw in Nederland, Engeland, Amerika en Noord-Duitsland op grote schaal verspreiding vond, klopt dit beeld,” is zijn reactie, “maar het harmonium is niet alleen dit protestantse instrument dat alleen maar geschikt is voor het begeleiden van gezangen. Het harmonium dat ik bespeel is qua klank, bouw en zeker qua gebruik een totaal ander instrument: dit is het drukwindharmonium zoals dat sinds het midden van de vorige eeuw in Frankrijk, België en andere zuidelijke landen voorkwam. Dit type komt het meest tegemoet aan de esthetiek van de Romantiek.”

Volgens Verdin is het harmonium voortgekomen uit dezelfde behoefte aan dynamische expressie die eerder tot de uitvinding van de pianoforte had geleid. “In dat perspectief heeft het van oorsprong niets met een kerkelijk instrument te maken,” benadrukt Verdin. “Men zocht naar een nieuw toetsinstrument waarop men piano en forte kon spelen. Het was primair bedoeld voor de salon. Een harmonium was aanzienlijk goedkoper dan een piano en zo kreeg het spoedig een enorme verspreiding. Dat blijkt ook uit de hoeveelheid originele en bewerkte harmoniummuziek die in de vorige eeuw gepubliceerd werd. Het waren overigens zeker niet de minste componisten die ervoor schreven. Onder de werken van Franck, Gounod, Karg-Elert, Boëllmann, Guilmant, Saint-Saëns of Widor bevinden zich ware meesterwerken.”

Dit zijn lang niet allemaal saaie, vrome werkjes; het gaat vaak om frivole, geestige, virtuoze, composities, om poëtische klankschilderingen of grootschalige sonatevormen.

Verdin legt uit dat het harmonium oorspronkelijk ontwikkeld is als het zuidelijke type. Het vroegste 'orgue expressif' van Gabriel-Joseph Grenié, in 1810 te Parijs gebouwd, de 'Physharmonica' van de Weense bouwer Antoine Haeckl uit 1818 en het eerste harmonium dat in 1842 door Alexandre François Debain in Parijs werd gepatenteerd, hadden het principe van drukwind: d.w.z. door het treden van blaasbalgen wordt druk in de windlade opgebouwd; met het indrukken van de toets wordt een ventiel geopend, zodat de klank het instrument wordt uitgeblazen. Bij het zuigwindharmonium, dat pas veel later vanuit Amerika en Duitsland naar onze streken kwam, gebeurt precies het omgekeerde: door het trappen wordt onderdruk gecreëerd, die zorgt dat bij de aanslag de lucht vanuit de atmosfeer het instrument wordt ingezogen. Zo'n instrument slikt als het ware de klank in; vandaar dat het veel introverter klinkt dan het brutale drukwindharmonium.

De klankbron van het harmonium is te vergelijken met die van een rietblaasinstrument of een tongwerk van een pijporgel (niet voor niets is de Engelse naam 'reed organ'): door langs een membraan, de 'tong' lucht te persen, raakt deze in trilling en ontstaat een toon. Dat tongetje, zoals dat in het harmonium en de accordeon gebruikt wordt, is een kleine messing strip, die geen pijp als klankversterker nodig heeft. Bij dergelijke zg. doorslaande tongen blijkt bij het laten fluctueren van de winddruk de toonhoogte niet te veranderen, maar de dynamiek wel. Dat is de essentie van de harmoniumtoon.
Bij zuigwindharmoniums heeft harder of zachter trappen desondanks nauwelijks effect. Dat komt door de magazijnbalg die voor een stabiele windaanvoer zorgt. Ook de drukwindharmoniums hebben zo'n magazijnbalg, maar deze kan met een speciale knop, de 'expression' worden uitgeschakeld.

Verdin zegt dat wat hem betreft de expression altijd open moet staan: “Dat is het wezen van het harmonium. Dankzij de expression wordt de klankintensiteit voortdurend door de voeten van de speler bepaald. Dat trappen lijkt misschien een vernederende of stuntelige bezigheid, het is het harmonium zelve. De traptechniek, vergelijkbaar met de stokvoering van de violist, vraagt om een enorme coördinatie. Ik heb er wel enkele maanden over gedaan om dat aan te leren.”

Dat de toon bij de geringste onregelmatigheid in het trappen hapert of uitschiet, voel ik aan den lijve als ik een dag na het gesprek met Joris Verdin een Debain-harmonium in de collectie van harmoniumkenner Maarten Stolk bespeel. Diens sfeervolle, laat-19e-eeuwse polderwoning aan de rand van Spijkenisse heeft hij volgestouwd met harmoniums, voor het merendeel van het in ons land zo zeldzame drukwindtype.

Op dit vroege instrument van Debain, de officiële uitvinder van het harmonium, is hij reuze trots. De vormgeving - een elegante lage, rechthoekige houten kast -, de dispositie met gescheiden registers voor bas en discant en de expression zijn de opvallendste kenmerken van Debains ontwerp. Ze werden door alle bouwers van drukwindharmoniums, waaronder de bekende Parijse firma's Alexandre en Mustel, overgenomen.

Als Maarten Stolk op dit harmonium een deeltje uit de bekende harmoniumbundel 'L'Organiste' van César Franck laat horen, wordt mij duidelijk dat Joris Verdin gelijk heeft dat dit instrument met zijn rijke dynamische expressie en bovendien zeer krachtige, boventoonrijke klank in wezen geen kerkelijk instrument is.

Het lijkt eerder een reusachtige accordeon.

Verdin: “Het harmonium is pas aan het eind van de negentiende eeuw in de kerk terecht gekomen. Het was goedkoop in aanschaf en onderhoud; bovendien had je geen orgeltrapper nodig. Vanaf dat moment zie je dat de expression gaat verdwijnen. Bij religieuze werken stond vaak vermeld dat de expression niet gebruikt mocht worden. Dit verklaart ook waarom juist het zuigwindharmonium, dat als regel geen expression had, zo'n ingang vond in de kerk. Daarvan is de klank vooral gericht op een genuanceerd kleurenpalet.”

“Dat is ook een verdienste, maar voor mij komt die op de tweede plaats, want de expression gaat boven alles. Vroeger moest ik daarom niets van zuigwindharmoniums hebben. Tegenwoordig ben ik daarin genuanceerder en zie dat er ook daaronder kwalitatief hoogwaardige instrumenten voorkomen, al is dat sporadisch. De meeste zuigwindharmoniums zijn namelijk goedkope massaproducten. Daar heeft het een belangrijk deel van z'n slechte reputatie aan te wijten. Vooral in Amerika ging het vaak meer om het imposante meubel, met spiegeltops of ingebouwde boekenkasten dan om het instrumentje zelf.”

De verschillen tussen druk- en zuigwindharmoniums openbaren zich niet alleen in de dynamiek. Maarten Stolk demonstreert dit op het pronkstuk uit zijn collectie, een instrument van Victor Mustel, gebouwd in 1875 te Parijs. Vorig jaar ontdekte Stolk dat dit harmonium in het bezit is geweest van Jaak Nikolaas Lemmens, de bekende Belgische orgelcomponist, die het thuis en op concertreizen gebruikte in de periode dat hij in Londen woonde.

Stolk legt uit dat de scheiding van bas- en discantregisters een wezenlijk kenmerk is. Daarmee hielden de componisten op geraffineerde wijze rekening, zodat een van de handen uitkomende melodieën kan spelen. Vervolgens laat hij de 'percussion' horen. Als dit register is ingeschakeld, slaan kleine hamertjes tegen de tongetjes om de aanspraak van de toon te versnellen, wat razendsnel scherzandospel, ondenkbaar op een zuigwindharmonium, mogelijk maakt.
De klank doet dan aan die van een Hammond-orgel denken. In een meditatief werkje van Lemmens, dat vrijwel zeker op ditzelfde instrument is gecomponeerd, laat Stolk horen hoe de percussion het dynamisch bereik vergroot, doordat het tongetje, op weg geholpen door het hamertje, al bij de minste winddruk in trilling raakt.

In een andere kamer staat een instrument van Mustel uit 1912. Het klinkt minder extravert dan het oudere instrument van grootvader Victor Mustel. Het beschikt over geraffineerde registers, zoals het 'prolongement', dat ervoor zorgt dat eenmaal aangeslagen basnoten blijven doorklinken. “Dit instrument voldoet aan de eisen die Sigfrid Karg-Elert, de meest productieve harmoniumcomponist van omstreeks 1900, aan het harmonium stelde,” zegt Maarten Stolk.

“Karg-Elert was een Duitser, maar hij schreef voor het Franse 'Harmonium d'art' of 'Kunstharmonium'. Dat was een standaardisatie van de dispositie en klavierdeling van de drukwindharmoniums. Dergelijke instrumenten hadden een uniforme registernummering. Met cijfercodes konden de componisten exact de gewenste registraties opgeven. Door deze voorschriften kun je de specifieke literatuur voor het drukwindharmonium onmogelijk op een zuigwindharmonium spelen, laat staan op een kerkorgel.”

Harmoniummuziek op een orgel spelen zal Joris Verdin dan ook nooit doen. Hij waarschuwt zelfs dat de aanduiding in Franse harmoniumuitgaven 'pour orgue' geenszins betekent dat het voor kerkorgel bedoeld is. “Dan staat er altijd 'pour grand orgue'. Dat leidt nogal eens tot totaal verkeerde interpretaties van oorspronkelijke harmoniummuziek.”

Kennelijk is het harmonium een volwaardiger muziekinstrument dan men doorgaans denkt. Dat roept de vraag op of het een soortgelijke comeback zal maken als destijds het klavecimbel en nu de fortepiano. Verdin blijkt hierin sceptisch. Hij acht daar de tijd nog niet rijp voor: “Pas als er in geen enkele kerk meer een harmonium te vinden is, heeft het een kans voor werkelijk eerherstel.”

 

© Trouw 2009, op dit artikel rust copyright.