Menubalk
 

update: 5 April, 2009

Terug naar Techniek

TAXONOMIE

Inleiding Taxonomie

Taxonomie Praetorius

Taxonomie tabel

 

 

Registernamen

 

De Trayser van de webmaster

 

 

 

 

 

Taxonomie van Praetorius

Michael Praetorius (* 15 februari 1571 -† 15 februari 1624)

 

Uit de periode van de renaissance kennen we een taxonomie van de hand van Michael Praetorius in zijn werk "Syntagma Musicum". Praetorius was componist, muziekhistoricus en componist. Syntagma Musicum was zijn belangrijkste hoofdwerk.

Dit driedelig werk bevat een gedetailleerde beschrijving van de musicologie en de muziekpraktijk zoals deze in de renaissance gebruikelijk was. Het geeft ook een uitgebreide omschrijving en illustratie van alle toen gebruikte instrumenten.

Hierdoor weten we dan ook dat tijdens de renaissance de instrumenten onderverdeeld waren in families die weer verder onderverdeeld waren. Uit de beschikbare informatie is mij duidelijk geworden dat het boek tot op heden slechts gedeeltelijk vertaald is.

Het originele werk is deels in het Latijn, deels in het Duits geschreven. Maar het origineel staat (volgens zeggen van een vertaler) zó vol met drukfouten dat vertalen een bijzonder waagstuk zou zijn, aldus deze Engelsman die toch maar begonnen is aan een vertaling. Hoewel, op Antiqbook trof ik een uitgegeven vertaling van deel II in het Engels, dus ik neem zijn opmerking met een aantal korrels zout.

De taxonomie van Praetorius geeft de volgende indeling:

  • Blaasinstrumenten
  • Tokkelinstrumenten
  • Strijkinstrumenten
  • Andere snaarinstrumenten (harp, spinet, hakkebord)
Titelblad herdruk 1884 Syntagma Musicum
   

 

 

Zijn echte naam was Michael Schultheiss of Schultz(e), geboren 15 februari 1571 in Creuzburg a.d. Werra, gestorven 15 februari 1624 Wolfenbüttel. Hij was de zoon van een lutheraans dominee, begon in 1585 een studie filosofie en theologie aan de universiteit in Frankfurt a.d. Oder. Tegelijk bekleedde hij het ambt van organist aan de St.-Mariakerk.

In 1595 trad Praetorius in dienst van hertog Hendrik Julius van Brunswijk en was daar eerst als organist aan de slotkapel in Gröningen werkzaam en vanaf 1604 als kapelmeester. In 1612 werd Praetorius hofkapelmeester te Wolfenbüttel. Daarnaast was hij Kapellmeister te Dresden en Halle.
(Gröningen ligt ongeveer halverwege de lijn Magdeburg - Halberstadt).

 

Praetorius, die als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de protestantse kerkmuziek van zijn tijd wordt beschouwd, ondernam bovendien enkele reizen naar grote vorstenhoven (onder andere naar Dresden, Maagdenburg, Halle) en fungeerde daar als muzikaal adviseur.

Praetorius was niet alleen een bijzonder vruchtbaar componist, die bij zijn tijdgenoten in hoog aanzien stond, hij heeft zich ook verdienstelijk gemaakt als theoreticus en als organisator van de Duitse Evangelische kerkmuziek.

Hij bewerkte het complete repertoire van de lutheraanse liturgische gezangen in het Duits en in het Latijn. Hij voltrok de overgang van de vocale polyfonie van de bloeitijd van de Renaissance tot de homofonie van de vroege barok. Zijn grote verdienste ligt in het schrijven van zijn driedelige Syntagma musicum (1615-1619), een standaardwerk, dat uitvoerige informatie verschaft over de muziek en de manier van uitvoering van zijn tijd. In deel 2 van dit tractaat vinden we een opsomming en beschrijving van muziekinstrumenten.

 
     
Zijn hoofdwerken zijn: Musae Sioniae (1605-1610): de negen bundels omvatten 1244 nummers; waaronder zeer eenvoudige, maar meerkorige koraalbewerkingen.
Zijn grote theoretische werk Syntagma musicum (1615-20) vat in drie delen de gehele muzikale kennis van de tijd samen en is de belangrijkste muziekencyclopedie vóór Mattheson. Deel I behandelt in hoofdzaak de liturgie, deel II is een leerboek der toenmalige instrumentkunde en deel III is een lexicografisch opgezette vormleer.
Praetorius' muzikale oeuvre verscheen in 20 delen als Gesamtausgabe, onder redactie van Fr. Blume in de jaren 1927-42 bij Kallmeyer.
 
     

Werk: o.a. Musarum Mutactae et Psalmi latini (1607), Hymnodia Sionia (1611), Eulo godia Sionia (1611), Megalynodia Sionia (1611), Missodia Sionia (1611), Terpsichore (1612), Liturgodia Sionia latina (1612), Urania (1613), een Konzertgesang v. d. Landgraf Moritz van Hessen (1617, Polyhymnia caduceatrix (1619), Polyhymnia exercitatrix (1620), Puericinium (1621), Psalm 116 (verschenen 1623) en orgelmuziek.

 

Overigens gaat het hardnekkige gerucht dat Praetorius reeds schreef over doorslaande tongen, maar dat moet nog nagetrokken worden. Dat is ook zeker nodig, want het is in zekere mate wel opvallend dat het 'gerucht' voornamelijk voorkomt (lees hier: vrijwel alleen maar) in Duitse publicaties. Ik sta niet alleen in deze conclusie, uitingen van achtenswaardige deskundigen op dit terrein hebben mij op dit punt de ogen geopend. Hieronder het gewraakte citaat, in het originele duits door Praetorius gebezigd:

 

 

"Im Land zu Hessen ist in einem Kloster eine sonderliche Art von Posaunen funden worden
do vff das Mundstück ein Messing bödemchen vffgelötet
vnd in der mitten ein ziemlich lenglicht löchlein drinn
darüber dann allererst das rechte zünglein oder blätlein gelegt
vnd mit geglüeten Messings oder Stälenen Säitten druff gebunden wird
daß es nicht also sehr schnarren vnd plarren kan.
Vnd weil es dergestalt etwas mehr als sonsten gedempffet wird
gibt es gleich einer Posaunen
wenn die von einem guten Meister recht intonirt vnd geblasen wird
einen pompenden
dumpichten
vnd nicht schnarrenden Resonantz.
Doch müssen sie gleichwol mit vff und niederziehung des obersten Corporis gestimmet werden
vnd dar bleiben
Regalia mobilia: [...]“

Michael Praetorius, Syntagma Musicum II, De Organographia, Wolffenbüttel 1719, reprint Kassel u.a. 1958, S. 143. Gecitieerd uit: Christian Ahrens, „Zur frühgeschichte der Instrumente mit Durchschlagzungen in Europa.“ In: Michaelsteiner Konferenzberichte Band 62, Michaelstein 2002.

Een engelse vertaling van de hand van Arthur W.J.G. Ord-Hume van de kern regels in deze oud-duitse tekst:

"This tongue is no longer cut directly out of a pipe tube but is an independent part
mounted on a slot through which it is vibrating."

Je hoeft niet echt doorgeleerd te hebben om meteen te zien dat de door Ord-Hume gegeven vertaling nogal vrij omgaat met de originele tekst. We komen hier later nog wel op terug.

  Er bestaat een gerede kans dat we binnen afzienbare tijd een vertaling van deze tekst plaatsen.

 

De 20e eeuw

Kort na het begin van de twintigste eeuw blijkt het systeem min of meer versimpeld te zijn, getuige het feit dat ik bronnen vond waaruit blijkt dat men rond 1900 slechts drie klassen bezigde:

  • snaarinstrumenten
  • blaasinstrumenten
  • slaginstrumenten

Sachs-Hornbostel

Kort nadien ontstond op basis van het werk van Curt Sachs een herordening en zo ontstond een nieuwe taxonomie van muziekinstrumenten.


Curt Sachs (* 29-6-1881 † 5-2-1959) was een Duitse (etno)musicoloog. Hij was een van de grondleggers van de moderne organologie en stelde samen met Erich von Hornbostel het nieuwe systeem op voor classificatie van muziekinstrumenten.
Hun werk is bekend geworden als het Sachs-Hornbostel-systeem. Dit systeem werd voor het eerst gepubliceerd in het Zeitschrift für Ethnologie, 1914.

Het hieruit voortvloeiende systeem van taxonomie heeft het volgende indelingsprincipe naar vier toonbron-modellen:

  • Chordofonen ( snaarklinkers)
  • Aërofonen (luchtklinkers)
  • Membranofonen (velklinkers)
  • Idofonen (zelfklinkers)
  • Electrofonen (elektrisch opgewekte klank). Later in de 20e eeuw toegevoegd als vijfde klasse.

 

Ga verder naar Taxonomie deel 2

Terug naar Taxonomie 1

Terug naar Techniek